De gemeente gratie - pagina 215
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
ONMIDDELLIJKE WEDERGEBOORTE.
211
op den witten keursteen een naam ontvangen, dien niemand kent dan God en hij zelf. Ging nu de wedergeboorte buiten dien onderscheiden aard van een iegelijk mensch om, zoo zou alleen
ze
den Vader was. Maar
uit
dit
is
men nog denken kunnen, dat niet zoo. De wedergeboorte
den bestaanden persoon, geHjk deze
schikt zich naar
bestaan van God ontving, een persoonUjk bestaan, dat Vader, maar door het Woord. niet anders,
of
ook
bij
En
juist uit dien
dit zijn persoonlijk hij
hoofde kan het dan ook
de herschepping van deze bestaande persoonlijk-
een Goddelijke werking plaats, die eveneens
heid, heeft
ontving uit den
maar door den Zoon. Er
is
dus zeer zeker
uit
den Vader
is,
de wedergeboorte een mede-
in
werking en saamwerking, maar niet een samenwerking tusschen God en mensch, maar wel een samenwerking van de Goddelijke Personen.
Guydo de Bray, de opsteller van onze hebben dan ook steeds het schoone woord uit 1 Petr. 1 23 v.v. verstaan van de Goddelijke herscheppende kracht, die door het „levende en eeuwig blijvende Woord" tot stand komt. Het is het herscheppende spreken van dit „levende Woord" dat ze ook in het afgeleide woord der Openbaring beluisterd hebben, en het is die stemme die
Zij
gevoeld
dit
hebben,
Geloofsbelijdenis vooraan, :
Gods
die
voor hen het Evangelie
Evangelie maakt. Het staat er zoo
toi
en zoo heerlijk: „Gij die wedergeboren
rijk
maar
uit
on vergankelijken
Woord van God. Want
zade,
vleesch
alle
zijt,
niet uit vergankelijken,
door het levende en eeuwig blijvende is als
gras, en alle heerlijkheid des
menschen is als eene bloem van het gras; het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen. Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.
En
dit is het
Doch
Woord
natuurlijk
zij
dat onder u verkondigd
is."
die voor de waarheid, dat ook deze herschepping is
door den Zoon, het oog niet ten volle openden, konden er dat niet lezen, zin,
in
en verstonden daarom deze woorden nog altoos min of meer in den
alsof de
wedergeboorte tot stand
kwam
door den
Bijhei,
d.
i.
dan
door den inhoud van de Heilige Schrift die door hen zelven gelezen of door anderen hun gepredikt werd. Klaar en helder was hun natuurlijk niet. (d.
i.
iets
Ook konden
dan de Heilige
dit
Schrift)
bleven ze dan toch aannemen. En op die wijs kreeg het dan
schijn, alsof er
zelven
maken wat het Woord aan de wedergeboorte toebracht. Maar zoo
ze het nooit duidelijk
al
den
dan toch zekere voorbereidende genade óók voor de weder-
geboorte bestond. Des neen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's