De gemeente gratie - pagina 552
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET VERZEKERINGSWEZEN.
548
zijn uitverkiezing bij God ook maar van verre afbreuk Mocht het daarom zijn, dat verzekerings-maatschappijen of organen der pers, van hetgeen we over het Verzekeringswezen zeggen gaan, iets willen overnemen, dan verzoeken we hun nadrukkelijk, er duidelijk bij te zetten, dat de Heraut, na eerst gewezen te hebben op
verzekeren van
te
zou
doen.
den hoogeren
eisch,
dat een iegelijk zich verzekere ten eeuwigen leven,
daarna zich over de „levensverzekering" in
Wat nu
zoo herleiden
zijn,
een poging
er
aardsche aanzijn, aldus
uitliet.
de bedenkingen aangaat die tegen het Verzekeringswezen
velen gerezen
die
dit
in
om
zich
leven schade moest
deze tot
drie.
Ten
eerste zag
bij
men
mensch te wapenen tegen de bezoekingen Ten tweede achtte men, dat het geloofs-
als
God over hem brengen
we
wilde.
van lieverlede
als
lijden,
alle angstig
gevoel uit het
leven werd weggenomen, en hierdoor het vertrouwen op Gods Vaderzorge
En
afname.
derde
ten
lokaas uithing,
dat
oordeelde
men, dat het Verzekeringswezen een
zwendelarij,
tot
afzetterij,
brandstichting en moord
aanleiding gaf.
we dan
Bezien
elk dezer drie
bedenkingen meer van
nabij,
om daarna
op de zaak zelve te komen.
En dan uit
zij
de lucht
aanstonds gulweg erkend, dat de eerste bedenking allerminst is
gegrepen.
Men verwees
geschreven staat in Gen. 4 ten
:
17,
hierbij veelal
namelijk dat
naar wat van Kaïn
naar het land van Nod,
hij,
oosten van Eden, gevlucht zijnde, daar vóór alle dingen „een stad
bouwde." namelijk vreeze
Bij
deze woorden van den tekst hadden onze Bijbeloverzetters
aangeteekend,
zijner
dat
consciëntie,
tenten of hutten woonden."
Kaïn dat deed „om, verzekerd
Nu
is
men
er allerminst van af
en meelijdend op deze kantteekening neer te
dan zou er
zijn,
uit
zien.
Ze
met halflachend
is kort,
daardoor onhoudbaar. Ging toch hetgeen nu aangeteekend regel door,
te
en dat daarentegen de vrome patriarchen, in
uit volgen, dat al
te kort,
is,
en
als vaste
wie een stad stichtte of
in
een
stad woonde, althans in een bevestigde stad, hiermee zondigde, en dat al
wie den Heere vreest, buiten behoort zelfs
het
wonen
in
te
wonen.
Ja, in strengen zin, dat
een steenen huis afkeuring verdiende, en dat alleen
de Bedoeïenen die in tenten omtrekken, of de Settlers in Amerika die
houten huizen of hutten bewonen, ten deze
vrij uitgaan. Doch zoo is het Toen de Bijbeloverzetters deze kantteekening neerschreven, zaten ze zelven in de veste van Leiden, die in de 17*^ eeuw nog met muren en wallen, met poorten en grachten verzekerd was tegen
natuurlijk niet bedoeld.
overval.
En
ook, ze zaten onder het neerschrijven van deze' kantteekening
niet in een tent of hut,
maar wel terderge
deugdelijk tegen regen en wind verzekerd.
in
een huis van steen, wel en
Maar
dit alles
neemt
niet weg,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's