De gemeente gratie - pagina 473
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TEGEN DEN VLOEK.
469
men
het dus ook wende of keere, het feit, dat God zelf aan den gevallen mensch de dierenvacht omhing, is een stellig bewijs en een steeds door-
gaande onderwijzing, dat God ons roept, juist ter bestrijding
het gebruik van de middelen op-
tot
van de gevolgen, die de zonde over ons
ge-
bracht heeft.
Geheel ditzelfde
zweet
blijkt
zijns aanschijns zijn
verstaan.
Er
brood
mag
brood
in
evenzoo
uit
het gebod, dat de mensch in het
brood zal eten. Ook
dit
volstrekt niet in uitgesproken,
ligt
woord worde niet misdat de mensch alleen
noch ook dat niemand brood mag eten, die niet
eten,
het zweet zijns aanschijns bereid heeft. Reeds het
de kleine kinderkens voedsel behoeven, weerspreekt
dit.
feit
De
zelf dat
dat ook
zin is
een
geheel andere. Vóór den val in het Paradijs leefde de mensch van wat
de natuur vanzelve voortbracht. Een weelderige plantengroei van keurig en edele vruchten bood den mensch rechtstreeks
wat hij voor de instandhouding van zijn hchaam behoefde. „Van al de boomen dezes hofs zult gij vrijelijk eten", was het woord van den Schepper, waardoor deze edele voeding bezegeld werd. Maar na den val werd dit anders. De vloek ooft
kwam Iets
al
over deze wereld, en de aarde zou doornen en distelen voortbrengen.
wat
natuurlijk niet zeggen wil, dat er ook daarna geen
vruchtboomen
waren, maar wat toch aanduidt, dat het op die vnjs beschikbare voedsel ontoereikend werd, en dat het overgroote deel der aarde voortaan wel allerlei
houtgewas zou voortbrengen, maar een plantsoen, waar geen vrucht
voor den mensch aan was. Zoodra het menschelijk geslacht zich uitbreidde,
De honger zou den mensch gaan was er gras, maar voor den mensch zou het voedsel ontbreken, en de mensch zou, zonder meer, het leven voelen wegvloeien.
zou dus de nood des levens ontstaan. kwellen. Voor het dier
De hongersnood zou hem op de Welke zou nu de in
positie
hielen zitten, en de hongerdood zou volgen.
van den mensch hier tegenover zijn?
dien nood een gevolg van den
Hem
zou
vloek overkomen. Die nood zou een
Gods in zich dragen, en een gerechte straf voor zijn zonde zijn. Door het Paradijs te verbeuren berokkende hij zichzelven een leven in nood en ellende op de onherbergzame aarde. Ook hier rijst dus de vraag: oordeel
Moest
hij
zich
aan deze
straffe
Gods
lijdelijk
onderwerpen? en zoo het was het zijn plicht om
voedsel ontbrak, den hongerdood sterven? Oftewel,
ook dien honger te bestrijden, en ter bestrijding daartoe middelen aan te
wenden, die God
En ook op die vraag laat zweem van twijfel over. Nog eer Adam of Eva ook maar één oogenbUk aan dien komenden nood gedacht hebben, nog terwijl te zijner beschikking stelde?
het antwoord geen
het Paradijs hen omringt en hun voedsel in weelde en overvloed
zelfs,
hen op dien komenden nood wijst, hun dien voorspiegelt, voorspelt als gevolg van zonde en vloek, en nu tegelijkertijd het gereede middel aanwijst, om aan de gevolgen van zeker en gewis
is,
is
het
God de Heere
zelf,
die
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's