In Jezus ontslapen - pagina 159
,
147
en in het „ Ik zal zijn die ik zijn zal " de geheimenis van zijn eeuwig ivezen uit te drukken, is het niet dat juist wat den Schepper van het schepsel, God in zijn majesteit, van ons,
kinderen des stofs, in onze broosheid onderscheidt? En is dit zoo, hoe zult, hoe kunt ge dan dezen goddelijken wezenstrek op het nietig creatuur overbrengen, ook al is dat creatuur een uitverkorene, een begenadigde, een in Sion dat boven is, opgenomen en in het Vaderhuis ingeleid kind van God. Is dit niet het Goddelijke met het menschelijke het menschelijke met het Goddelijke verwarren? Ja, is het niet de hoogste zaligheid zoeken in wat Satan ons voorloog, en in wat vervloekt werd van God? We laten den tusschenstaat nu rusten. We trekken de aandacht saam op de voleinding als God heerlijk in zijn heiligen zal zijn, en de laatste vijand zal zijn te niet gedaan. We nemen nu degenen die in Christus ontslapen zijn, in het nieuwe Jeruzalem, op de nieuwe aarde, onder den nieuwen hemel, nadat Christus het koninkrijk aan God en den Vader zal hebben overgegeven, en God zijn zal alles en in allen. Dan eerst zal het 'yofealigheid zijn. En in die vo/zaligheid zoo stelden we, is geen tijd meer, maar alleen eeuwigheid; geen wisseling, maar een eeuwiglijk zich gelijk blijven; geen verandering maar in eeuwige ruste standhouden. Niet meer het streven naar een doel maar het in zijn einddoel verzonken zijn. Geen jagen meer naar een ideaal, maar een bezitten van het Hoogste Goed. Nooit meer een worden van wat men nog niet was, maar wat men is, eeuwiglijk blijven. Voor niet één van Gods kinderen meer een zichzelf heiligen of een klimmen in heiligheid, maar eeuwiglijk in de ontvangen heiligheid ge,
,
,
,
nieten.
Maar juist dit alles, overschrijdt het niet de grens, die ons menschelijk leven van het leven onzes Gods afscheidt? Is het niet op den mensch willen overbrengen, wat alleen Gode, en den Christus, omdat hij zelf God is, toekomt?
Ook is,
alle
zij uitsluitend wat ons van Gods wege geopenbaard overpeinzing ten richtsnoer.
hier
wat we zijn zullen maar dit „ Ons is nog niet geopenbaard weten we, dat we Hem zullen gelijk wezen want we zullen Hem ,
,
^
zien, gelijk Hij is".
„Wij Voor
zijn
van Gods geslachte".
heiligen die Hij op aarde achterliet, bad de Middelaar: „Vader, ik wil dat waar ik ben, ook zij zijn zullen, die Gij mij gegeven hebt". zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's