De gemeente gratie - pagina 55
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEREFORMEERD UITGANGSPUNT.
51
dat uit de vuile bron opwelt. Loochent ge nu de verdorvenheid onzer natuur, dan leidt dit gedurig tot geestelijke wanhoop, twijfel aan zijn staat
en loslating van de geloofsverzekerdheid. Belijdt ge daarentegen die verdorvenheid, dan
is er voor dit bange raadsel een oplossing, en drijft de begane zonde Gods kind terstond met gebroken hart en verslagen geest
weer naar de genade zijns Gods uit. Ten derde doet de belijdenis der gemeene gratie erkennen, dat God in deze gemeene genade ons menschelijk levenslot, menschelijke opvoeding, menschelijke tucht, en zooveel meer, als middel bezigt,
om
het opwellend
kwaad tegen te houden, en dringt deswege om niet lijdelijk neer te zitten, maar op bestrijding en tegengaan van het kwaad bedacht te zijn, niet uit eigen hoofde, maar in den dienst Gods.
En
ten vierde eindelijk geeft het dit aanmerkelijk verschil, dat wie zijn
eigen burgerlijke deugd, en de velerlei menschelijke lieflijkheid in andere
nog niet wedergeboren personen beschouwt
als
de natuurlijke vrucht van
de niet zoo geheel verdorven natuur des menschen, noodzakelijk weer
zijn
steunpunt in den tnensch gaat zoeken; terwijl omgekeerd, wie de algeheele
God
verdorvenheid onzer natuur erkent, maar
belijdt dat
meene
goed en in den nog draaglijken
staat
gratie tempert, ook in het burgerlijk
ze door de ge-
van onze menschelijke samenleving, niets anders verheerlijkt dan de
goeddadigheid Gods.
We
zeggen daarom
om
niet,
dat het beroep onzer vaderen op de Heilige
deze
verdorvenheid onzer natuur te bewijzen, altoos even
onberispelijk was.
Met name hebben we reeds vroeger opgemerkt, dat
Schrift,
hetgeen
we
in
Gen. 6 5 lezen, niet een algemeene uitspraak :
menschelijken toestand
door
alle
is
over onzen
eeuwen, maar een bijzondere uitspraak
kwaad vlak vóór den Zondvloed. Er staat toch: „De Heere zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde;" d. w. z. dat het kwaad toentertijd ten top was gestegen, en dit nu drukt Mozes vlak daarop in dezer voege uit: „dat al
over de vreeselijke uitbarsting van het
het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage
alleenlijk boos
was." Deze woorden omschrijven alzoo de schrikkelijke verwildering, die destijds
uiterste
was uitgebroken, doordien de gemeene gratie zich Maar afgescheiden hiervan is de teekening
terugtrok.
lige apostel
Paulus ons in de eerste drie hoofdstukken van
de kerk van
Rome
menschehjke natuur
geeft van
dien aard, dat
we
tot
op het
die de hei-
zijn brief
aan
de belijdenis van onze
als in zichzelve geheel verdorven, .stelligen eiscli der
Heüige Schriftuur noemen.
Intusschen
is
op
dit
punt een nevenbeschouwing ingedrongen, die ten
deele zeker haar recht heeft,
maar
die,
haar wettige grens overschrijdend,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's