De gemeente gratie - pagina 573
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
::
HET VERZEKERINGSWEZEN. heet: „En hetzij dat één
één
verheerlijkt
lid
hd
hjdt, zoo lijden alle
hetzij
dat
En
in 1 Cor. 13
uitwisschende, en wat des anderen
„De
liefde
de
verbitterd,
De
maar
we voegen
gelijk het
de liefde
;
zoekt zichzelve niet, zij
is
wordt
zij
zij
bedekt
verdraagt
zij
alle alle
is,
het er eigener beweging aanstonds
lichaam één
is,
zijnde,
wij allen zijn door
bij,
wordt gezegd,
gemeen, maar van het Lichaam van Christus
in het
dat de apostel
stoffelijke ontleent,
dingen, dingen.
nimmermeer."
en vele leden heeft, en
maar één lichaam
éénen Geest
de leden van
alle
alzoo ook Christus.
zijn,
één lichaam gedoopt,
tot
éénen Geest gedrenkt." Hierbij echter
eerste
niet
zich niet in de onge-
verblijdt
Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij tot
niet af-
niet opgeblazen,
is
zij
verblijdt zich in de waarheid;
zij
liefde vergaat
ééne lichaam, vele
Want ook
zij
zichzelf
liefde:
goedertieren
is
denkt geen kwaad,
van de menschheid
„Want dit
zoekende
gelooft alle dingen, zg hoopt alle dingen,
zij
Dit nu,
zij
hymne der
de hooge
handelt niet lichtvaardiglijk,
liefde
zij
rechtigheid,
niet
lankmoedig,
is
is,
handelt niet ongeschiktelijk,
zij
de leden mede;
wordt, zoo verblijden zich alle de leden mede."
dan volgt onmiddellijk daarop
gunstig;
569
zijn
zij
hetzij
zijn allen
drieeërlei opgemerkt.
Het
maar aan het „Maar nu heeft
beeld niet aan het geestelijke,
aan ons lichaam van vleesch en bloed.
God de leden gezet, een iegelijk van deze in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. Waren zij alle maar één lid, waar zou het lichaam zijn ? Maar nu zijn er wel vele leden, doch er is maar één lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand ik heb u niet van noode of wederom het hoofd tot de voeten ;
:
ik
heb u niet van noode. Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste
des lichaams te
zijn,
die zijn noodig; en die ons
leden des lichaams te onsierlijke leden te ontleenen
zijn,
hebben overvloediger
aan het
dunken de minst geëerde
dezen doen wij overvloediger eere aan; en onze
stoffelijke,
versiering."
Door nu alzoo
toont Paulus ons, dat
hij
zijn
beeld
hier spreekt van
een grondwaarheid, die in heel de schepping doorgaat, en alzoo haar beteekenis en geldigheid evengoed voor het natuurlijke als voor het geestelijke
leven heeft. In de tweede plaats
zij
Christus uit menschen bestaat, met
hier opgemerkt, dat het
Hem
die
mensch wierd,
Lichaam van als
Hoofd, en
dat in dit heilige Lichaam van Christus niet een tweede menschheid naast
de eerste optreedt, maar de oude menschheid zelve, die eerst in zonde verdorven werd, maar nu herboren voor ons treedt. Een kind van niet een
tweede mensch,
de oude mensch werd.
En
geslacht,
zelf,
zoo nu ook
dat
zich
die bij
met
die is
God
is
den ouden mensch inwoont, maar het
is
zijn zelfde ik, tot
kind van
God herboren
het dezelfde menschheid, hetzelfde menschelijk
eerst in
zonde verdierf, en nu
in
het Lichaam van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's