De gemeente gratie - pagina 57
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEREFORMEERD UITGANGSPUNT.
Toen nu
den val de oorspronkelijke gerechtigheid
in
53
te loor ging, ontglipte
daardoor aan den inensch de geestelijke bekwaamheid voor het zaligma-
kend goed, en die kon alleen door bovennatuurlijke genade
Wat
worden.
daarentegen behield, was hetgeen
hij
op zichzelve in zich droeg en vermocht.
zijn
Want wel
in
hem
hersteld
menschehjke natuur
men
gaf
toe,
dat ook
deze krachten der menschehjke natuur niet zonder kleerscheuren uit de worsteling
was gekomen, maar
die
verzwakking was dan toch heel
iets
anders dan de algemeene verdorvenheid, en zoo kon uit die verzwakte
natuur nog zeer wel het burgerlijk goed verklaard worden, en bood deze wel verzw^akte, maar dan toch nog op haar beenen staande menschehjke
natuur een aanknoopingspunt voor de bovennatuurlijke genade. Niet alsof daar de bovennatuurlijke genade
genade" vermocht de zondaar
uit
niets.
kon voortkomen. Zonder „helpende
Maar het aanknoopingspunt was
er
dan
Of nu latere Roomsche theologen dat nog fijner uitgeplozen, en door nog nauwere onderscheidingen meer aannemelijk gemaakt hebben maakt toch.
geen
verschil,
de
officiéele
De beoordeehng nu van
Roomsche kerkleer
dit
loopt langs deze lijnen.
standpunt hangt aan de verhouding die
we
tusschen het wezen en de natuur eenerzijds, en anderzijds tus-
stellen
schen de natuur en het bovennatuurlijke. Verstaat men onder natuur des menschen hetzelfde als het wezen van den mensch, dan stemmen ook wij toe, dat de zonde het wezen van den mensch onaangetast heeft gelaten,
en dat er alzoo van een algeheele verdorvenheid zijner natuur (nu in den zin
van wezen genomen) geen sprake zou kunnen
zijde is
men
zijn.
Van Luthersche
hier te ver gegaan, en tegenover de Lutherschen
hebben
Gereformeerden, steeds de stelling verdedigd, dat de zondaar niet „stok in
zijn
en blok"
is,
maar mensch
bleef, zijn
is
dit
wij,
een
menschelijk wezen behield, en
menschelijk Avezen gered werd, en nog wordt.
Dooperschen
als
onzerzijds steeds verdedigd in
Ook tegenover de
onze
stelling,
dat de
De zondaar is welks wortel een nieuwe boom wordt inge-
wedergeboorte herschepping en geen nieuwe schepping
is.
vermolmde boom, in schapen. Het is dezelfde boom die eerst wild werd en verkankerde, en wiens wezen nu van die wildheid bevrijd en door inenting tot het uitschieten van nieuwe takken en het dragen van goede vrucht bekwaamd wordt. Dit stellen we niet alleen wat het wezen van den mensch in het gemeen, maar ook wat het wezen van eiken mensch in het bijzonder aangaat. Zal eens elk kind van God een witten keursteen ontvangen, en op dien keursteen een nieuwen naam, dien niemand kent dan God en hij zelf, omdat niet een
die
naam
het innigste en bijzonderste van
zijn persoonlijk
drukken, zoo staat tevens vast, dat die nieuwe
naam
weezen zal
uit-
slechts dat eigen-
aardige en bijzondere zal uitdrukken, hetwelk krachtens zijn schepping in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's