De gemeente gratie - pagina 500
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
496
ONTSPORING.
daarvoor verordend had. Dit doet alzoo de vraag
gang van
rijzen, of die
ons leven niet aldus ware te ordenen en in te richten gew^eest, dat, ook
al
volgde er ontsporing, toch de vernieling, de verderving, de ellende des
Want,
w^are uitgebleven.
lijdens
alzoo geschied
Nu
doen."
het
zijn. bij
had God dat
natuurlijk,
„Zijn raad zal bestaan,
en Hij zal
zou
gew^ild, het
al zijn vsrelbehagen
de uitkomst anders bleek, en terstond op de ontsporing
de bittere vernieling en de ontzettende ellende volgde, staat aldus vast, dat dit alzoo Gods wil vras, dat Hij het zóó en niet anders door zijn eigen
Goddelijken
w^il
Het greep aldus
vastgesteld en bepaald heeft.
niet bij
ongeluk plaats, of omdat God het niet verhelpen kon, maar het was Gods regelrechte wil en bedoeling, dat de trein onzes levens, zoodra
hij uit
het
Goddelijk spoor gleed, zichzelf moest vernielen.
Wat meer
zegt,
nooit
kunnen we God voor
en der zelfvernieling,
ellende
bij
die noodzakelijkheid der
het uitglijden uit het Goddelijk spoor,
genoeg danken. Stel u slechts voor, wat het geweest zou
zijn,
zoo de ont-
spoorde trein des levens veilig had kunnen doorgaan. Het zou dan ge-
worden
zijn
één eindeloos afwijken van het Goddelijk spoor, één steeds
machtiger uitbreken van ongerechtigheid, één rusteloos verder afgaan van de gemeenschap met onzen
God
;
kort gezegd alzoo één doorloopende triomf
van zonde en Satan. Een wereld, een menschelijk leven, een menschelijk hart,
dat ten slotte voor eeuwig zonder
God
was. Al wat
God De
één hel verkeerd; de hel geworden tot het éénig bestaande.
schiep in wil
Gods
dat alle ontsporing zich in zelfvernieling zou en moest wreken, was alzoo in
den grond niet anders, dan de wil Gods
om
sijn bestel in zijn ordi-
nantiën te handhavan, en niet te kunnen noch te willen dulden, dat een
ander
De
bestel, rustende in
andere ordinantiën, hiervoor
in
de plaats drong.
krachten en machten des levens, die Hij als God in het leven
zouden werken,
gelijk Hij het
verordend had
;
en zoo
niet,
riep,
dan moest
ter-
stond gevoeld worden, hoe die krachten ophielden te zegenen, en in stede
daarvan vernielden en verdierven. Er gloeide
in die
krachten een vuur,
waarmee geen creatuur spelen zou. Dat vuur kon ons leven door zijn gloed ontwikkelen, maar ook, zoo het dit niet deed, zou datzelfde vuur ons zengen en schroeien. De wil Gods, dat de trein des levens, zoo hij ontspoorde, zichzelf vernielen zou, was niets dan de wil Gods om, God te blijven. Het: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal." De uitdrukking in de scheppingsorde van het volheerlijke Jehova. Die alles beheerschende wet, die onverbiddelijke noodzakelijkheid strekt alzoo rechtstreeks, én
Gods, én
om
om
de eere
het heil des menschien te verzekeren. Zonder die wet, zonder
dien wil, zonder die noodzakelijklieid, zou Jehova in zichzelf ontbonden,
en ons leven één
liel zijn
geworden. De krachten en machten des levens
konden en mochten bij ontsporing, niet tot stilstand of werkeloosheid worden gebracht. Dat ware een terugnemen van de Schepping geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's