De gemeente gratie - pagina 387
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
;
VOORZIENIGHEID EN SCHEPPING.
om
verloochent,
Hem
geen ander bestaan, dan
uw
te bezitten,
in
zijn
383
hand,
door en tot
uit,
meer waarachtig en bezielend van
religie al inniger,
aard wordt.
Edoch, en dit worde evenmin uit het oog verloren, ge kunt ook
andere uiterste overslaan, en
feitelijk alle
in het
onderscheid tusschen Schepping
en Voorzienigheid oplossen, door niet alleen elk zelfstandig bestaan in de uzelven,
maar ook
hand Gods
elk zelfstandig bestaan in de
te
loochenen
de zonde van de ongezonde mystiek, en de doodzonde van het Pantheïsme,
Dan
toch vereenzelvigt ge óf uzelven
met
uzelven,
welk
laatste
met God, óf ge vereenzelvigt God met het eerste op één lijn staat. Ge
feitelijk
wilt dan en terecht niets weten noch hooren van een zelfstandigheid, die
uzelven tegenover
in
gij
uw
God zoudt hebben, maar
drijft dit
zoo op de spits,
zelfstandig bestaan in en door den wille
Gods loochent. nu komt er op neer, dat ge geen reëele existentie hebt, maar alleen in de gedachte, in den wil, en in de kracht Gods bestaat. Niets van wat is kan dan buiten God bestaan. Buiten God is er dan niets. Al wat is is dan God, en daar God niet dat ge ook
Ge
hebt dan geen zelfstandige existentie. Dit
buiten
Gods in
zijn
Wezen
is,
zoo
zijt gij,
en
al
wat ge bezit, feitelijk in het Wezen van gedachte of van wilsbeweging
besloten, iets in God, een golving
Hem, en dientengevolge kan
er
schuldbesef en verplichting jegens
sprake
zijn.
Wat
zich aan u als
van zedelijke verantwoordelijkheid, van God dan noch bij u noch bij iemand
uw
denken en
uw
wil voordoet, zijn niets
dan trekkingen van den wil van God. En wat ge Hefde voor God noemt dan niet een liefde die van hart naar hart uitgaat, maar alleen de
is
warmte van het
zelfgevoel
in
God, zooals ook in
uw
lichaam de ééne
bloedbol den anderen najaagt, en alzoo geacht wordt hef te hebben.
Hier
ligt
het gevaar voor
valsche mystiek, die uiterst verleidelijk
is,
omdat ze de zelfwegwerping en verloochening voor God zoo dwepend rijk uitdrukt, maar die door de echte vromen toch steeds als tegen Gods wil ingaande bevonden en verworpen is. En naast deze voorstelling der in God verzinkende mystiek, staat dan op dezelfde lijn de denkzonde van het Pantheïsme, die niet ons in Gods Wezen, maar God in het wezen der wereld doet opgaan. God is dan overal, is al het bestaande. Hij is in al dat bestaande alles. Er bestaat dus niets, er is niets van wat bestaat, of het
is
God. God
is
het Al, en het Al
is
God. Zooals het Al loopt zoo loopt
God, Zooals het Al verandert en steeds wordende zich ontwikkelend,
vervormend en wordend. Twee
is,
zoo
is
ook God steeds
zijn er nooit.
mijn ik en het Ik van God. Ten slotte wordt mijn ik
God
Er
zelf.
is
nooit
En
zoo
dan hier alle verantwoordelijkheid weg, kan ook hier van geen zonde of van geen plicht .sprake zijn. Wat is is goed, want al wat is is God; valt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's