De gemeente gratie - pagina 64
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TEMPERING VAN DE ZONDE.
60
hand
overgaf, en dus in zijn
waarde.
De
dan ook niet een
is
maar
hield, tegenhield, stuitte
op hun weg, en be-
verstokking en verharding, waarmede telkens gedreigd wordt,
alleen een zich
positief inbrengen in de ziel
min
dusver het zoo ergerlijk
God met
van opzettelijke zonde, meer terugtrekken van die genade, waardoor uitbreken van het kwaad voorkomen werd. Zooof
komt er geen verharding, en zijt ge bewaard; maar trekt God zich terug, en wordt de doorwerking der zonde lang
vleugels u dekt,
zijn
vrijgelaten, dan komt de verharding en de verstokking vanzelf. Bij noordwestenwind strand het schip op onze kusten, niet omdat de stuurman het
op strand stuurt, maar af
te
als hij
ophoudt door het roer het schip van strand
houden. Zóó als het roer ophoudt te werken, vliegt het schip
En
kust en wordt op de zandbank stukgeslagen.
snel naar de
pijl-
dat een
is niet omdat dit schip beter is, of omdat de wind en vloed op dit schip niet werkt, maar alleen omdat de stuurman met zijn roer de drijfkracht van wind en vloed wist om te leiden. En zoo nu ook is het hier. De zondige drijfkracht die in wind en
ander schip niet strandt,
zuiging van
vloed onze
ziel
wil doen stranden, en op het strand stuk zal slaan,
wezig en werkt op elks onzer
ziel
belet.
En
en
maar het
is
omwerpt met zijn almachtige hand, en daardoor het stranden God de Heere niet op, dat roer in onze ziel tegen
glijdt
in te
wringen, of opeens slaat dat roer om, ons hart slaat
achterwaarts, en de schipbreuk onzer
Als dan ook de rechtvaardigen klagen: Heere,
ziel
waarom
volgt gewisselijk.
doet Gij ons
uwe wegen dwalen ? Waarom verstokt Gij ons hart, dat wij ü niet zen? Keer weder om uwer knechten wil, de stammen uws erfdeels, 68
:
zijn
17),
zoo
is
hiermede
in het
van
vree(Jes.
minst niet bedoeld, dat de Heere opzettelijk
volk tot ongeloof en afval aanzette en prikkelde
zijn volk,
aan-
is
God, die het roer in het scheepke
zóó houdt
wind en vloed
om
ziel,
zoo Hij het ook maar even loslaat,
;
maar, heel anders, dat
met onweerstaanbare
zuiging
helt naar het booze, en dat het alles alleen door zijn stuitende en bewa-
rende genade op die helling werd tegengehouden. De klacht komt alzoo hierop neder: Gij, o God, die ons dusver door uw genade hadt bewaard en in toom gehouden, en den boozen zin in ons hadt ingetoomd, waarom hieldt Gij op ons alzoo te bewaren, daar Gij toch wist, dat dit leiden tot
een afdwalen van
naams? Nu
ligt
móest
en tot een verlaten van de vreeze uws
het in den aard der zaak, dat de Heilige Schrift van deze
bewarende genade bij zijn
uw wegen
bijna uitsluitend bij kinderen Gods, bij
erfdeel handelt, en alzoo de
bespreekt, voor zooveel ze ingevlochten
we van Abimelech
lezen,
was
's
Heeren
„gemeene gratie" zoogoed ligt in
uitzondering.
de particuliere genade.
Maar
volk,
als eeniglijk
Wat
ook, voor zoover ze in de
gemeene
dan toch altoos datzelfde karakter, dat ze van zonde afhoudt, en in dien zin bewaart voor het kwade. Ons resultaat kan dan ook geen ander zijn, dan dat de
particuliere
genade
is
ingevlochten, draagt de
gratie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's