De gemeente gratie - pagina 363
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
;
;
:
;
DE GEMEENE GRATIE EN GODS VOORZIENIG BESTEL.
meer dan
In Spreuken 8 wordt
in eenig
ander kapittel
ingegaan op het geestelijke, en niet ten onrechte,
is
359
uit dit rijke
beleden, dat in de hier bezongen Wijsheid persoonlijk het eeuwige
Maar
verheerlijkt wordt.
uitsluitend sprake
al
dit
toch
zoo,
is
Woord
dat hier bijna
kennelijk,
van den Verlossingsmiddelaar, maar van den
niet
is,
is
boek
steeds door de kerk
Scheppingsmiddelaar. Lees slechts Ik,
woon
Wijsheid,
bij
de
kloekzinnigheid,
De
vreeze
des
Heeren
is,
te
den hoogmoed,
en
en
vind de kennis van
bedachtzaamheid.
alle
haten het kwade, de hoovaardigheid,
den kwaden weg;
en
ik
haat
ook den mond der
verkeerdheden.
Raad en het wezen
zijn
mijne;
ik
ben
het
verstand; mijne
is
de
sterkte.
Door
mij regeeren de koningen, en stellen de vorsten gerechtigheid.
Door mij heerschen de heerschers, en de prinsen;
alle
de rechters
der aarde. Ik heb
lief,
die mij liefhebben; en die mij vroeg zoeken, zullen
mij
vinden.
Rijkdom en eere Mijne
vi'ucht
is
is
bij
mij,
duurachtig goed, en gerechtigheid.
beter dan uitgegraven goud en dan dicht goud, en
mijn inkomen dan uitgelezen zilver. Ik
doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van
de paden des rechts
Opdat ik mijnen liefhebbers doe beërven wat bestendig is; en ik zal hunne schatkameren vervullen. De Heere bezat mij in het beginsel zijns wegs, vóór zijne werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren als nog geene fonteinen waren, zwaar van water. Aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen was ik geboren. Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch den aan-" vang van de stofkens der wereld. Toen Hij de hemelen bereidde, was ik daar; toen Hij eenen cirkel ;
over het vlakke des afgronds beschreef;
Toen
Hij de
opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen
des afgronds vastmaakte
Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde; Toen was ik een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, te allen tijde voor zijn aangezichte spelende Spelende in de wereld
zijns aardrijks,
en mijne vermakingen
zijn
met
der menschen kinderen.
Ook
hier
nu wordt de diepere achtergrond zeer zeker
niet voorbijgegaan,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's