De gemeente gratie - pagina 188
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
;
DE VOLHEID DER TIJDEN.
184
God geopenbaard
ons het mysterie geeft van een
in het vleesch, d.
onze eigen menschehjke natuur nabij gekomen. Het
in
is
i.
ons tot
dus zeer wel te
verstaan, dat de gemeente, ziende hoe tallooze malen ze misleid
is,
ten
weigerde om te luisteren naar het zoet gefluit van wie op haar aankomt met de vertelling, dat we meer nadruk op de menschehjke natuur van den Christus hebben te leggen, niet zoo ten onrechte beducht, dat al slotte
zulk zeggen, slechts de inleiding
is op een prediking, aan wier einde de Godheid van den Christus toch weer zal zijn aangerand. Men moge dit in de gemeente kortzichtig noemen, in elk geval ligt de schuldige oorzaak
bekrompenheid dan niet
dier
bij
de gemeente, maar
bij
de geleerde theolo-
gen, die de goedgeloovige en volgzame gemeente, zoo keer op keer
hebben
misleid.
Uit die beduchtheid nu
is
het tevens te verklaren, dat de gemeente zoo
weinig oog heeft voor wat de apostel ons omtrent de volheid der tijden openbaart. Hoorende dat er aan de komst van den Christus iets moest
voorafgaan
;
dat er eer de Christus
komen
kon, iets voorbereid moest zijn
vreesde de gemeente, dat reeds hierbij een adder onder het gras school,
en dat
men ook op
dit punt een soort „voorbereidende genade" ging dan straks de Christus, zoo niet geheel, dan toch voor een verklaren zijn. Wordt nu de Christus, zij het dan ook slechts
leeren, waaruit deel, zou te
ten deele verklaard uit het verleden, dat achter Bethlehem hgt, dan, dit
geven we voetstoots
toe,
is
in
kort gedaan. Het God-zijn toch uit
beginsel reeds aan zijn volle God-zijn te is
niet in deelen te splitsen, en
andere oorzaak verklaard dan uit God
We
kan nooit
zelf.
daarom prijs op, hier duidelijk te doen uitkomen, dat de apostolische leer van de „volheid der tijden" in geen enkel opzicht strekt, om den Christus, naar zijn God-zijn, ook maar voor het allergeringste deel, uit het verleden, of uit den toestand, die achter dat verleden lag, te willen verklaren. Niet hij zelf, maar uitsluitend wat hij aannam is door dat verleden bereid, en was in de volheid der tijden tot rijpheid gekomen. Christus stellen er
heeft de gestaltenisse eens dienstknechts
aangenomen, en evenzoo aan-
genomen het geslacht Abrahams (Hebr. 2 16). Wat ge nu aanneemt is niet uit u, maar dat neemt ge van buiten naar u. Opdat Christus dit zou kunnen aannemen, moest het er dus zijn, eer hij kwam. Het moest, als we ons zoo mogen uitdrukken, bij zijn komst gereed liggen, opdat hij het zou kunnen aannemen. :
En ook wijs, is
als
het moest gereed hggen in zulk een gestalte en op zulk een dit
voor de Vleeschwording des Woords noodzakelijk was.
Wel
ook de bestiering hiervan Gods werk geweest, en niet ons doen, maar
het eind moest dan toch
zijn,
dat er op het oogenblik van Jezus' ontvan-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's