In Jezus ontslapen - pagina 132
„EN IK ZAL HEM DE MOEGENSTER GEYEn".
116
optreedt. Vlak vooraf giug, dat de Overwinnaar maclit over de Heidenen ontving, en als teeken van die liooge heerscliappij wordt nn, altoos in heilige beeldspraak, liet teeken van de Morgenster hem op de lieldenborst gehecht. Dat dit beeldspraak bedoelt, en dat de Overwinnaar niet de Morgenster zelf ontvangt, blijkt reeds daaruit, dat er niet staat: Ik zal hem ee,n, maar de Morgenster geven. Immers de verlosten die als Overwinnaar ten hemel ingaan, zijn duizenden en nogmaals tienduizenden, en toch is er maar ééne Morgenster. Niet dus de Morgenster zelve is bedoeld, maar een zinnebeeldig eereteeken aan de Morgenster in glans gelijk. Gelijk de Morgenster alle onze sterren in gloed en glans en schittering te boven gaat zoo zal het eereblijk dat hij ontvangt ,
,
die in dezen geestelijken geloofsstrijd volhardt ten einde toe èn overwint, in glorie alle eereteeken van zegepraal, dat op aarde wordt uitgereikt, zeer verre overtreffen. De Morgenster is hier dus niet de Christus, gelijk het in ,
Openb. 22 16 heet: , Ik ben de blinkende Morgenster": want is op Pathmos de Christus zelf, die dat eereteeken van de Morgenster uitreikt. En evenmin is de Morgenster hier de glans 19 heet, dat den van het Evangelie, gelijk het in 2 Petr. 1 wedergeborene de Morgenster opgaat in het hart. Immers wie ten hemel ingaat, kan niet dan pas het Evangelie ontvangen. Wat hier staat, dat Christus aan den Overwinnaar de Morgenster zal geven, duidt op een teeken van eere en glorie den Overwinnaar toegekend, geheel op één lijn staande met het witte triomf kleed dat hem om de schouders wordt gehangen en met den witten keursteen in den zegelring. :
het
:
zinnebeeldigheid die hierin tot uitdrukking komt, is, zij mystiek, toch volkomen duidelijk, zoo ge er slechts op let, dat dit eereteeken teeken is van de macht over het heidensche wezen, waarmee het in één adem genoemd wordt. Het heidensche wezen teekent de Heilige Schrift ons steeds en onveranderlijk in het beeld van nacht en duisternis. Wie den overgezet uit het rijk der Middelaar wordt ingelijfd , wordt duisternis in het Koninkrijk van den Zoon ". „ Het volk dat in duisternis zat, zong reeds Jesaja, zal een groot licht zien". Bij de komst van het Evangelie, zegt Paulus, heeft God bevolen, dat het licht uit de duisternis zou schijnen. Reeds Simeou riep uit, dat de Christus zijn zou ^een licld tot verlichting der Heidenen^\
De
het
al
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's