De gemeente gratie - pagina 142
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEWORDEN
138
Doch ook alle
UIT EENE VROUW.
ware het ons nu gegeven,
al
bij
ons zelf of
bij
ons eigen kind
deze onderscheiden factoren, waarvan het resultaat in ons eigen leven
of in
het leven van ons kind uitkomt,
naar zuivere lijnen af te meten,
begrenzen, en in hun onderscheiden gewicht en beteekenis
te
stiptelijk
vast te stellen, dan nog zou hieruit geenszins volgen, dat gelijke preciese verklaring ons ook echter
niet
bij
bij
de Vleeschwording des Woords gelukken zou.
Nu
één eenigen menscli zulk een afwegen van deze verschil-
lende elementen doenlijk bleek, en noch in het gemeen noch in het
zonder te zeggen
valt,
bij-
hoe en op wat wijs deze onderscheiden factoren
de formatie van den gewonen mensch werken, nu
ligt het in den aard den persoon van den Heiland, wiens ontvangenis geheel exceptioneel was, zelfs van elke poging ter juister verklaring moet worden
bij
der zaak, dat
bij
Want wel
afgezien.
heeft onze Catechismus op één dier factoren nadruk
gelegd, door te betuigen, dat Christus
volwassen
man
opgetreden
daarom
kindeke geboren, en niet
als
„opdat Hij door
zijn onschuld de zonden ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekken zou", maar reeds de woorden waarin deze belijdenis vervat is, toonen genoeg-
als
waarin
is,
ik
zaam dat we hier met een geloofsuitspraak van het Verlossingsgevoel, met een ontleding van de dracht van den Christus te doen hebben.
niet
Dit dwingt ons, ook op dit punt van ons onderzoek, het bijzondere te laten rusten, en ons te bepalen tot het aangeven van die algemeene lijnen, die
de onderscheidene factoren gansch
En dan
in
het algemeen doen uitkomen.
eischt voorzeker de Christelijke belijdenis, dat
we
in
den Christus
geen erfenis van een persoonlijk belijnd karakter aannemen. ons zelven of in anderen een persoonlijk karakter noemen, eenzijdigheid.
wikkeld
Een
plooi
van het wezen, zooals het
in
is,
maar onderwijl we
juist
wij in
altoos een
anderen
ons wordt gevonden, zoodat wel die ééne plooi
alleen in
Wat
is
niet,
rijk in
maar
ons ont-
de andere plooien missen. Eerst zoo
ge een gansche menigte van personen, elk met een scherp ontwikkeld karakter bijeen voegt, ontvangt ge den indruk van den vollen rijkdom van het menschel'^k karakter als zoodanig. Poogde
men daarom
ook
in
den
Christus zich een zoodanig scherp belijnd karakter te denken, zoo zou de
Christus hiermede beperkt en eenzijdig belijnd worden, en niet
Zoon des menschen"
daarom
in
zijn.
Natuurlijk
mag men evenmin
meer „de
zeggen, dat er
den Christus geen karakter was. Karakterloosheid toch, of wilt
ge gemis aan karakter, wordt door ons als een gebrek gevoeld, en geen
gebrek was in den Christus. En het eenige dat is,
dat in den Christus niet maar één
lijn,
volheid des menschelijken karakters uitblonk,
heid het volle menschelijk karakter in
Hem
we daarom
niet
zeggen kunnen,
maar één
maar dat
plooi
van de
in organische een-
schitterde. Niet een enkele
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's