De gemeente gratie - pagina 386
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
382
ZOO
VOORZIENIGHEID EN SCHEPPING.
blijft
God
ditzelfde
mogendheid die dezen het
dat
ook daarna willen, en ook nu zijnen
is
wil werkelijkheid doet
onderscheid tusschen de schepping en
het die zelfde
al-
Zoo bUjkt dus
zijn.
de instandhouding der
dan men gemeenlijk zich inbeeldt, en het is het voorbijzien van deze sterke overeenkomst, dat het onheüig Deïsme in het leven riep, en den wortel der Religie vervalscht heeft. Men scheidde de Schepping en Voorzienigheid zoo ver van één, dat het eenmaal geschapene dingen veel kleiner
als
is,
een zelfstandig iets in zichzelf werd genomen, waarop
toezicht uitoefende,
en dat Hij stutte als het dreigde
God
om
alleen zeker
of in te vallen.
Dat gevoel van zelfstandigheid naast en tegenover God concentreerde zich dan het sterkst in ons menschelijk bewustzijn. Wij menschen gingen ons gevoelen als zelfstandige wezens tegenover God. We werden als partij tegenover partij, en daarbij kon onze zelfzucht niet rusten, eer we de orde der dingen hadden omgekeerd, en onszelven zoozeer tot den hoofdpersoon hadden gemaakt, dat God ten slotte alleen scheen te bestaan om den mensch. Het Pelagianisme en het Arminianisme
zijn
van deze valsche
in-
beelding de droeve dragers geweest, en nog kan gezegd, dat juist in dit
opvatten van ons menschelijk bestaan als ware het een zelfstandig bestaan
tegenover God, de wortel aller zonde
ligt.
Zelfs de wereldzucht en zinnen-
die de zonde zoo licht verzelt, is niets
lust,
dan uitdrukking van dezelfde
grondgedachte.
Wij sterken ons dan tegenover God door deze wereld deze aarde als ons domein te beschouwen.
God
als
ons terrein,
heeft dan zijn hemel, en
hebben deze aarde, en er komt dan een ruilhandel op, waarbij God iets van zijn hemel afstaat, onderwijl wij in ruil hiervoor
wij
ons na den dood
God tijdens ons aardsche leven een En dan natuurlijk heerscht ook in er op uit,
wij
stukje van dit aardsche leven afstaan. dit heilige
de koopmansgeest, en
zijn
een zoo groot mogelijk stuk van den hemel in te koopen
voor de kleinst mogelijke opoffering van een stuk van het aardsche leven.
Het geldt hier dus geen bijkomend, en ter zake niets afdoend verschil, maar wel waarlijk de grondverhouding waarin we tegenover God staan. zijn slechts twee grondverhoudingen denkbaar. De ééne dat we wel aan God onzen oorsj)rong danken, maar voorts zelf op eigen wortel staan,
Hier
en ons tegenover
God
als partij
van gelijken rechte
onderhandelen en ruühandel aangaan. Dat
En
de andere
is,
dat
we aan God
maar ook daarna van oogenblik en tot
Hem
macht
zijn,
bestaan, zoodat wij
en alleen voor
gedachte nu alle religie.
in
is
Ook aan uzelven
stellen,
met
al
zult
Hem
alleen onzen oorsprong danken,
het onze steeds in
ons aanzijn hebben.
alle zonde,
en met
de ééne grondverhouding.
tot oogenblik niet anders
zijn glorie
de bron van
niet
is
dan door Hem, zijn
De
souvereine
eerste grond-
de tweede het uitgangspunt van
ge dan ook ontwaren, dat, hoe meer ge
de laatste grondgedachte doordringt, en alzoo u steeds meer voor
God
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's