De gemeente gratie - pagina 90
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE GEMEENE GRATIE
86
IN
DE SCHEPPING GEGROND.
aarde waaruit het porcelein gebakken wordt,
fijne
een andere dan de
is
natuur van de smeltbare metalen. Die uiteenloopende natuur van beide niet toevallig,
niet
is
maar
doelloos,
de grondlegging der dingen gewild. Dat een gouden
een gouden beker hersteld kan worden,
is
de natuur van
bij
De natuur van
het
op de mogelijkheid van herstelling gericht en berekend. Niet alsof
is
gebroken gouden sieraden
uit zichzelf hersteld
den vaardigen kunstenaar, die een
tot
wat
zit.
is
uitgedacht, en in
een gouden keten,
stift,
niet iets
het goud bijkomt, maar een eigenschap die er in
goud
God
alzoo door
is
feit.
Maar
dit
neemt
bij
worden. Alleen de hand van
het goud bijkomt, maakt de herstelling
niet weg, dat de grootste kunstenaar tegen-
over het gebroken gouden sieraad machteloos zou staan, indien niet de
aard van het goud op de mogelijkheid van herstelling was aangelegd.
Breng
dit
nu op de geestelijke schepselen over, en ge gevoelt terstond
de beteekenis ervan voor de herstelling der gevallen natuur door genade.
Immers we kennen waarvan het ééne na en engel staan hier
De
over het goud.
uit
Gods Woord twee soorten
val herstelbaar bleek te
geestelijke schepselen,
het andere niet. Mensch
zijn,
juist zoo
tegen elkander over als het porcelein tegen-
engel
een heilig wezen, maar valt
is
hij,
dan
is alle
weeropstaan voor den engel onmogelijk. Nergens duidt de Schrift ook maar
met één woord aan, dat er voor den gevallen engel een weg ter ontkoming zou zijn. Van verzoening voor de zonde der engelen is nergens sprake.
Van de wedergeboorte van een dooden
engel evenmin.
goed of ze
nooit zondaar geweest; die boos
zijn
boos. Die goed
zijn, zijn
De engelen
zijn
kunnen nimmer goed worden. Juist dus als bij het porcelein. Hoog van waardij, maar breekt het, dan is het voor altoos verloren, en zoo ook zijn
zijn,
de
engelen onredbaar, als eenmaal de schaal hunner heerlijkheid breekt.
De mensch daarentegen hij
zijn
zou,
als
is
gevallen
hij
aan het goud
is,
gebroken toestand blijven
alleszins
gelijk.
Ook
hij
kan
vallen,
en ook
zonder een herstellende hand van buiten, in liggen.
Maar
bij
den mensch
is
het toch
mogelijk, dat de breuke in zijn hart geheeld worde, en dat door
de zelfvernietiging in de opsmelting henen, wat verloren scheen, hersteld
worde in vroegere heerlijkheid, ja, tot hooger dan oorspronkelijken glans. Maar hieruit volgt dan ook, dat deze redbaarheid en herstelbaarheid van den mensch hem niet eerst na zijn val van buiten af kan zijn toegekomen, maar dat zij reeds in de grondlegging zelve van zijn menschelijke natuur moet gefundeerd zijn geweest. Had hij in zijn schepping een geestelijke
natuur
ondenkbaar
als
zijn
die
der engelen ontvangen, zoo zou ook
geweest.
Nu
zijn verlossing
daarentegen de mogelijkheid van herstel en
van verlossing voor den mensch bewezen
is,
nu
blijkt
dan ook
indirect,
dat reeds in de grondlegging zijner natuur, hierop gerekend was, dat reeds in
het raadsbesluit van de schepping des menschen deze factor der her-
stelbaarheid
was opgenomen, en dat zoowel de gemeene
gratie
als
de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's