De gemeente gratie - pagina 31
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
OPLOSSING VAN ONGELOOVIGE ZIJDE.
het zich aanmatigen
die
plaatst,
om
27
als geloovigcn zich te
van de niet-geloovigen, en die deze onderscheidingslijn doortrekken. Volstrekt niet alle orthodoxen.
O
neen.
in het
onderscheiden leven durven
Personen van wie
het gerucht zegt, dat ze zichzelven als orthodox beschouwen, en ook wel kerken, maar die er overigens niets van merken laten, en als gewone menschen met de lieden der wereld in gezelschappen, in de maatschappij, op schoolgebied, in zake van wetenschap en kunst meedoen, wekken bij niemand wrevel op, en geven niemand aanstoot. Hen rekent men dan onder „de fijnen" niet. Maar wel rekent de wereld onder „de fijnen" hen, die met hun belijdenis voor den dag komen, die zich met die belijdenis tegenover de wereld stellen, die op grond van die belijdenis hun leven
anders inrichten, en als gevolg hiervan op streven openbaren. Dezulken noemt
men
alle
gebied des levens een eigen
„de dwepers", „de nachtschooF',
„het vrome volkje", een soort gansch onhebbelijke en onge-
„de fijnen",
nietelijke Heden.
En wordt
gelijk
op die wijze rechts de klasse of de groep der fijnen apart
gezet, evenzoo rangschikt
men
links een aparte soort lieden onder
„de deugnieten". Daaronder hooren dan de moordenaars, de dieven, niet
de mannen, maar de vrouwen die zich overgeven aan hoererij, de publieke dronkaards, die langs straten en grachten zwieren, vechtersbazen die er opslaan of het die valsch
mes
trekken, flesschentrekkers, woekeraars, oplichters, lieden bedrijvers van onnatuurlijke
spelen,
zonden, lieden van lage,
ruwe en gemeene vormen, meisjes met onechte kinderen, en zooveel meer. Kortom, al het boos gespuis, waarop men neerziet met de laatdunkendheid der verachting, die in zichzelve roemt: Ik dank U, dat ik niet ben als deze zondaren en tollenaren.
Middenin daartegen komt
te
staan
al
wie,
om met Haverschmidt
te
spreken, zichzelven eert als een „braaf en fatsoenlijk man", en aan weerszijden
van die „brave en fatsoenlijke lieden", staan eenerzijds de onge-
nietelijke „fijnen"
Op den breeden akker
en anderzijds het „boos gespuis."
der wereld goed zaad dat opkomt uit het brave hart, en naast die goede
tarwe
allerlei
ontuig en onkruid, het ontuig der „gemeene lieden" en het
onkruid der „fijnen." Ontuig en onkruid; want wel erkent men, dat „een fijne"
heel
iets
anders
is
dan een dief of moordenaar, dan een hoer of men ook den „fijne" als een schuldig
valsche speler, maar toch vonnist
mensch. boren.
Zijn
Ten
„fijnheid"
deele
is
is
hoogmoed,
uit
zelfinbeelding en onnatuur ge-
„de fijne" het slachtoffer van bekrompen opvoeding en
obscurantisme, maar toch spreekt in
minder de geestelijke pedanterie. En dat zijn dan nog de besten, terwijl de groote hoop van die „dwepers" nog veel erger, eigenlijk er niets van meent, en zich maar zoo vroom houdt. In den grond der zaak zijn de meesten bedriegers, die door zijn fijnheid niet
een vromen schijn vertrouwen pogen in te boezemen, en dan van dien
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's