De gemeente gratie - pagina 51
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
OPLOSSING VAN ROOMSCHE ZIJDE.
47
die dit l)ed6rf stuit en de burgerlijke gerechtigheid nog doet uitkomen. Terwijl men daarentegen van Roomsche zijde staande houdt, dat de natuur, niettegenstaande het uitkomen der zonde, toch nog zekere kracht ter volbrenging van burgerlijke gerechtigheid in zichzelve draagt. gratie,
Niet,
men
versta dit
Rome
w^el, alsof
dit
aan de piira naturalia, buiten
de hulpc Gods zou toewijzen, maar ze bedoelt dan toch met die hulpe
Gods
hier niets
anders dan die gemeene ondersteuning van Gods
zijde,
die op alle creatuurlijk terrein als noodzakelijk en onmisbaar w^ordt onder-
en die vanzelf voortvloeit uit de afhankelijkheid van het schepsel
steld,
als zoodaniü-.
Dit onderscheid nu tusschen Rome's zienswijze en de onze, beheerscht voor geen gering deel beider blik op den mensch en op het menschelijk
Van
leven.
zaligheid verdienend
voortbrenging daarvan zijn
natuur
hem
goed
naar Rome's
is,
hier natuurlijk geen sprake.
is
leer,
vergunt, ten eenenmale
onbekwaam; daarvan komt
sprake als door de bedeeling der kerk hoogere genade in den wil
Maar beperkt men den in
blik tot dit leven, let
haar aardsch bestaan, en vraagt
onder menschen heet, dan
in
is,
men
Ter
de mensch krachtens hetgeen
men
eerst vloeit.
enkel op de maatschappij
wat rechtschapenheid 's menschen natuur,
alleen naar
weerwil van de zonde,
ook na het verlies der oorspronkelijke gerechtigheid en na den val in zonde, daartoe nog zeer wel bekwaam. Vaak zal de zondaar in den daarvoor te voeren verschijnsel dat
onderliggen,
strijd
we
in
de wereld
maar ook
om
zal
hij
overwinnen.
ons heen, ook waar
En het der
alle licht
bijzondere openbaring ontbreekt, nog zooveel vriendelijks, hartverheffends
en edels ontmoeten, moet
uit
die
nog altoos zoo
schen, ondersteund door Goddelijke hulpe,
Tegenover denen,
die
menschelijke maatschappij, gelijk
Mahomedanen en Joden nog
natuur des men-
rijke
worden verklaard.
men haar onder
Hei-
werkt uit de in onze natuur nog overig zijnde krachten, staat nu echter de kerk, als schatbewaarster der bovennatuurlijke genade, en noch op den enkelen mensch, noch op de menschelijke maatschappij straalt eenig hooger licht uit, dan aantreft, en die
hetwelk door haar ontstoken wordt. Die twee levenskringen liggen alzoo gescheiden naast elkander. Eenerzijds de menschelijke maatschappij buiten
hooger kracht, alleen zijds die levensfeer,
uit
de verzwakte pura naturaha werkende, en ander-
waarin het
licht
der kerk uitstraalt, maar die dan ook
door de kerk beheerscht wordt; en in die levensfeer staande, naarmate het
meer
is
het leven hooger
in elk opzicht het kerkelijk
stempel draagt.
Kerkelijk ingekaderd heel het persoonlijk en het huislijk leven, van de
waeg
tot het graf. Kerkelijk
de gilden van beroep en
wetenschap, kerkelijk de kunst, en
bedrijf. Kerkelijk
in heel het terrein
de
des menschelijken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's