De gemeente gratie - pagina 61
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
57
TEMPERING VAN DE ZONDE.
Vlïl. Teinperiiig vaii de zonde.
En God weten, dat
zeide gij
hem
tot
dit in
in
den droom
:
Ik heb ook ge-
oprechtheid uws harten gedaan hebt,
en Ik heb a ook belet van tegen Mij te zondigen
heb Ik u niet toegelaten, haar aan
;
daarom
te roeren.
Gen. 20
Het
feit zelf staat
alzoo voor ons vast. Er
gratie, en vrucht van deze genieene gratie
zonde niet regeh'echt in
den einde
toe,
mensch
al w^at
doorwerkt.
Wie
dit
is,
is
:
6.
en er werkt een gemeens
dat het doodehjk bederf der
heet, en in heel de schepping, tot
heel de historie beheerschende
feit
kan óf de diepte der zonde niet erkennen, óf hij doet te kort menschen schepping naar Gods beeld. Maar hoe nu verder ? Hebben
voorbijziet,
aan
's
we
dit feit alleen te
erkennen, of staan ons gegevens ten dienste,
om
tot
op zekere hoogte eenig inzicht te erlangen in de wijze waarop deze gemeene gratie werkt? Een zeker voorzichtig te stellen, en nog voorzichtiger
beantwoorden vraag, omdat we met haar het verborgen terrein des mystieken levens betreden; maar een vraag die ook zoo toch onder de te
oogen moet worden gezien. In elk geval in
is
de quaestie die het hier geldt,
hooge mate belangrijk. Gemeenlijk toch treedt het leven der wereld
voor ons als onbeschenen met het licht van Boven, en te midden van die in
donkerheid en duisternis verzonken wereld bespeurt onze geest dan
hier
en daar enkele lichtvlakken. Lichtvlakken die de één zich over heel
Europa en Amerika
laat spreiden,
kleine kringen, die het
terwijl
nauwer met de
de ander ze inkrimpt tot die
belijdenis
van den Christus nemen,
en een derde deze lichtvlakken schier tot lichtpunten saamtrekt, schijnende uit
het hart van enkele bijzonder vrome personen.
gratie tot
nu
genade
daarentegen vertoont ons heel de schepping toe,
in
De
leer der
als,
van den aanvang
gemeene
door niets anders dan door de genade Gods gedragen; die elk volk en
in
elke
eeuw, in elk geslacht en in elk persoon
werkende; en schemerachtig door de donkerheid waarin het alles verzonken hgt, een Aveerschijn glinsterend van de reddende, de behoudende, de bewarende macht Gods. Het zou zonder die gemeene gratie alles als
met één ontzettenden donderslag ineenstorten en het aUes nog staat tot nu
en
in
de hel verzinken. Dat
nog zooveel schoons omdat de zonde niet zoo erg en de vloek niet zoo ontzettend, maar omdat Gods gemeene gratie zoo almogend is. Maar hoe gaat deze werking der gemeene gratie nu toe? Als Abraham koning Abimelech van Gerar met Sara gefopt heeft, zeggende dat Sara te
aanschouwen
geeft,
is
toe,
niet
gelijk het
nog
staat,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's