De gemeente gratie - pagina 297
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
RET ENTEN VAN DEN WILDEN BOOM.
293
en uit Gods kerk uitgeroeid. En hoe ondoorgrondelijk ook voor ons het mysterie
van het tweeërlei leven
zij
in
één persoon, en van één
leven uit tweeërlei wortel trekt, toch staat het vast, dat belijden hebben.
een Paulus die
maar het adem,
Het
we
ik,
dat
zijn
het alzoo te
Saulus die roept „Ik ellendig mensch", en betuigt: „Ik dank God door Jezus Christus mijnen Heere", is
niet een
:
is de ééne zelfde Paulus, die op hetzelfde oogenblik en in één de diepte van één zelfde menschelijk hart betuigt: „Ik ellendig
uit
mensch, wie
zal mij verlossen
van het lichaam dezes doods? Ik dank God
door Jezus Christus mijnen Heere".
Men enten.
heeft,
en terecht, ter verklaring van dit mysterie gewezen op het
En metterdaad
stam ons Feitelijk
levert het enten van een goede stek op een wilden
in het plantenrijk
zien
we
een voorbeeld op van zeer hooge beteekenis.
toch voor oogen, hoe een wilde
boom kan worden
kapt, hoe dan in het hart van dien afgekapten tronk een
afge-
dusgenaamd oogje
van een niet-wilden boom kan worden ingeënt, en hoe alsdan de wilde boom gedwongen wordt, uit zijn boozen wortel alle sap naar dat ingeente oogje te drijven, en hoe
dit
oogje
macht
bezit,
om op den ouden
tronk
een nieuwe kroon te ontwikkelen, die uit het sap van den ouden wilden
boom gevoed
wordt, en toch goede vruchten draagt. Hierin
ligt veel,
dat
ons althans eenige voorstelling ter verklaring geeft. Ook hier in het plantenrijk is
dan toch tweeërlei boomleven, het ééne oud en wild, het andere De oude natuurstam is breed en groot, het oogje van het
jong en tam.
nieuwe leven klein en teeder. Beide werken daarna saam. De oude tronk blijft
op
zijn
wortel groeien, en inmiddels schiet het eerst kleine stekje in
een kroon omhoog. Aldus ineengegroeid wordt het één boom, met één
En toch blijkt het onderscheid zoo sterk sprekend, dat onder aan den ouden tronk gedurig oude, booze loten uitspruiten, en dat het goede, tamme hout eerst boven het entsel begint. Steeds nu v^l de oude tronk leven.
het entsel dooden, en als de hovenier niet zorgvuldig de loten die aan den
ouden tronk uitschieten, wegkapt,
weer uitgeloopen, en het
is in
minder dan geen
tijd
de oude boom
Wordt daarentegen
al wat uit met zorg weggekapt, dan is de oude tronk machteloos, en wordt hij gedwongen al zijn levenssap uit den wortel aan het ingeente stekje toe te voeren, dat, dank zij dien gestadigen toevoer van levenssap, snel omhoog schiet.
den ouden tronk
En
entsel gaat dood.
uitschiet,
toch hoe opmerkelijk en sprekend dit voorbeeld ook
maar zeer
zij,
het kan
ten cleele dienst doen. Bij de wedergeboorte toch wordt niet
om nu voorts zijn levenskracht uit de maar het komt in ons op om zichzelf een
het „nieuwe leven" op ons geënt, oude, booze natuur te trekken,
eigen wortel te schieten, en op dien vernieuwden wortel te bloeien door
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's