Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

In Jezus ontslapen - pagina 22

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In Jezus ontslapen - pagina 22

2 minuten leestijd

10

Philippus kou nog zeggen „ Heere toon ons den Vader en het is ons genoeg", en hem moest nog geantwoord worden: „Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien." Maar de verloste ziel vraagt zoo niet meer. Zij is met den Christus en ziet in en door Christus haar God. :

,

IIL f,^tt

êterfeltjfe

öan

^et leöen

Want

öerèlottben''.

ook wij die in dezen tabernakel zuchten, bezAvaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden 4. worde. 2 Cor. 5 ,

zijn,

:

Naar wat ge bij het sterven voor oogen ziet, kunt ge niet anders zeggen, dan dat het de Dood, die vreeselijke vijand van God en menschen is, die er in slaagt, eindelijk een u zoo dierbaar leven te verslinden. Het was niet zijn eerste aanval. Althans het zijn uitzonderingen, als wie sterft ook niet reeds vroeger op het krankbed werd geworpen en dat er vreeze des Doods om zijn sponde was. Maar bij die vroegere aanvallen van den Dood was het nog afgewend. Na den avond waarin het geween ons hart week maakte was er gejuich in den morgen geweest. Op haar hoogste punt geklommen, liet de krankheid af. En, o, wat was dan dat terugerlangen van zijn lieve kranken weelde om niet uit te spreken voor het hart. Doch nu liep het zoo anders. Niets hielp, niets baatte, en onder het uitblazen van dat laatste tochtje adem, was het of de bittere Dood u, met al uw onverhoorde gebeden en uw doellooze zorgen uitlachte, en u hoonend toefluisterde Nu won ik het toch nu kwam de morgen waarin ge juichen zoudt, niet. En dan stondt ge daar, het hart gebroken, bij de stervenssponde. En dan lag daar uw gestorvene, zielloos, levenloos. Ja, wel waarlijk, zoo het scheen, door den Dood verslonden. Verslonden, een zoo hard woord. Zooals we van een roofdier spreken, dat het verslindt. Alles op eenmaal weg. De blik van het oog, het zoete woord van de lippen, de warme handdruk, het spreken van het gelaat. Alles op eenmaal weg. Koud, dor, somber. Het leven verslonden door den Dood. ,

,

:

,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902

Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's

In Jezus ontslapen - pagina 22

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902

Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's