De gemeente gratie - pagina 211
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
ONMIDDELLIJKE WEDERGEBOORTE.
en nooit
zal
men daarom
207
met het Evangelie voor zich toegeven, mogen denken: Mijn zonden zijn te groot dan
onzerzijds,
dat ooit eenig zondaar zou
dat ze vergeven worden. Dat is de Kaïnsgedachte, niet de grondgedachte van het Evangelie. Integendeel, de grondgedachte van het Evangelie is juist omgekeerd, dat de diepst gevallene genade kan vinden, dat we nooit aan de toebrenging ook niet van den verst afgedoolde behoeven te wan-
hopen, en dat juist
zij
die
„vermoeid en beladen"
zijn,
tot
den Heiland
geroepen worden. Dat er verharding en verstokking kan intreden, staat
maar over dat stadium
vast,
in
het leven van den zondaar wordt hier niet
gehandeld. Immers verharding en verstokking treedt nooit in dan juist in
de worsteling tegen de genade.
Onze kerk kon nooit anders leeren krachtens haar
belijdenis omtrent
het karakter van de zonde in den mensch. Stond ze op het Pelagiaansche standpunt, dat
de zonde uitsluitend te rekenen valt met onze zondige
bij
komen
daden, zoo zou de zaak anders
met de Heihge
nooit. Zij zocht steeds
te staan.
en dus sohdair verantwoordelijk, niet is
leerde onze kerk
Schrift de oorspronkelijke, de beslis-
sende schuld in den val van Adam. Ze
Er
Maar zoo
nam
menschdom
het
als
één geheel
een saamvoeging van eenlingen.
als
erfschuld. Die erfschuld is voor allen gehjk.
En
in die erfschuld ligt
het doodelijke, overmits we, krachtens die erfschuld, allen in zonde ont-
vangen en geboren worden. Vandaar onze onzer kinderen, dat
we
belijdenis bij
den heihgen Doop
verklaren te gelooven, dat ook deze nog onnoozele
kinderkens, zoogoed als wij zelven, in zonde ontvangen en geboren, en
daarom allerhande ellende, ja, der verdoemenis onderworpen zijn. De vraag, tot welken trap zich deze aangeboren zonde in de onderscheiden personen ontwikkelen
zal,
beheerscht alzoo de zaak
niet.
Die ontwikkeling
kan in den één zeer ver gaan, bij een ander door genade gestuit worden, maar heiden staan voor God, wat hun erfschuld en erfzonde betreft, vol-
komen
gelijk.
en worden
„Zij
om
hebben
allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods,
„Er
niet gerechtvaardigd."
grond nu van deze belijdenis
die
zijn
geen onderscheid."
mag men, met de
niet willen staande houden, dat de ééne
de wedergeboorte zou
is
—
Op
Heilige Schrift voor zich,
mensch geschikter voorwerp voor
dan de andere; en dus ook
niet,
dat genade,
den zondaar de vereischte ontvankelijkheid, om wedergekunnen worden, zou aanbrengen. Aan de wedergeboorte gaat
voorafging,
boren te
niets vooraf dan de geboorte in zonde en
En evenmin mag ook maar een
onder de verdoemenis.
oogenblik het tweede worden toege-
mede sou
alsof de mensch zelf, werken om de wedergeboorte
of iets
doen slagen. Ware
dan voorzeker zou er ook voorbereidende
geven,
dit
aldus,
tot
van menschelijke
zijde,
stand te doen komen, of te beter te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's