De gemeente gratie - pagina 315
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
,
TWEEERLEI
311
IK.
nieuwen mensch. Er is namelijk ons wezenlijk ik, datj diep verborgen in ons wezen schuilt, maar er is ook ons ik, gelijk dit uit ons zelfbewustzijn zeer aanmerkelijk verschillen kan van wat schuilt in ons diepste wezen, is het volkomen begrijpelijk, dat een herboren mensch uit zijn hewustzijn sprekende, belijdt Ik heb gezondigd, en nochtans, zich rekenschap gevende :
van
zijn innerlijk
want dat
ik
wezen, even
deed die zonde
stellig betuigt: Mi.]n ik
niet,
kan niet meer zondigen,
Xlil.
Tweeërlei wil.
Want
ik
weet,
dat in mij, dat
goed woont; want het willen
is
is
wel
in mijn vleesch,
bij mij,
te doen, dat vind ik niet.
geen
maar het goede Bom. 7:18.
Zoo bleek dan hoe ongeoorloofd het is, te spreken van twee personen, die saam in den wedergeborene moeten huizen, en hoe desniettemin aan een tweeërlei ik moet worden vastgehouden. Als Paulus zegt: „Indien ik doe hetgeen ik niet wil, zoo doe ik het niet meer", dan is het uitgemaakt dat hier tweeërlei üfe onderscheiden wordt. Het ééne ik dat het doet, en het tweede ik dat het toch niet doet. Laat ons dan zien, hoe zich dat laat tweeërlei ik, waan.n toch beide malen h-ijtzelfde ik spreekt, verder die op één onderscheid tusschen onherboren beide, t. w. dat; ket herboren ik nog sluimeren kan, terwijl het ik nog spree> A viit het bewustzi-^fl. Doch bij dit ééne onderscheid kunnen we niet staan blijven. Ook al dringt toch het herboren ik in de bekeermg met tot het bew DSftzijnsleven beheerscht het volstrekt nog
ontleden.
Dusv
er
toch wezen
we
slecht;^
.
^oor, daarom heel ons be^ fnastzijn. Vy^^ ^^^ bekeering, en dus tot werkelijk geloof in den hij beChristus k< aan zijn ziel gedaan heeft;"
w^^et alsnu „wat ^gg;^^ ^^ ^" ^ ^it het ;rtit,
lijdt
overr
li^ht;
b-
.
^.^^ ^^^.^^^
hij
God
rijk
der duisternis tot
dood was, en
zie hij leeft.
zijn
wonderbaar
Zoo drmgt het
m
ei geloofsuiting aankomt, eö als het op rechtstreeksche herboren spreekt, is het ^''^ van bewust, dat het ik waaruit hij het eeuwige leven. Maar '^ik Bn zal zeggen: Ik was dood, maar nu heb daarom n^n geheels '' niet, dat dit geloofsbesef ieruit volgt nog in het minst leven geheele stukken namelijk van zyn bewustzijn doordrongen heeft. Voor gezijn uit den achtergrond van zin bewustzijn niet rechtstreeks
^^"^
'^
is hij
mt
mkJi^
vlamt
moedsleveu
op,
maar komt op
uit
voorstelheel een wereld van feiten,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's