De gemeente gratie - pagina 194
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE GEMEENE GRATIE IN HET GENADELEVEN.
190
wil, zal dien
samenhang zoo breed
als
het kan uitmeten. Hieruit nu ontstaat
het gevaar, dat de eerste ten slotte voor dien samenhang van het nieuwe ik met het oude ik kortweg het oog geheel sluit; terwijl anderzijds de er licht toe komt,
tweede
om
het oude ik zóó sterk te laten uitkomen, dat
ten slotte dat oude ik voorkomt als de macht waardoor het nieuwe ik tot
kwam.
aanzijn
telijk erf
Feitelijk heeft er dit
tweeërlei meening,
geleid, dat
tweeërlei inzicht, tweeërlei
op het Chris-
grondbeschouwing
met elkander worstelde.
aldoor
Eenerzijds toch zich
dan ook toe
in
kwam
het streven op, dat in de dagen der Reformatie
de Dooperschen vastzette,
om
het ontstaan van het nieuwe leven
als een tweede formeele schepping te verstaan; het vleesch en bloed van den Christen op te vatten als uit den hemel in deze wereld ingeschapen en ;
in
samenhang hiermee
alle
verband tusschen Gods kind en de wereld
te
verbreken, en den Christen geheel van de burgermaatschappij door een
dusgenoemde „mijdinge" en het afwijzen van de overheidsambten uit te sluiten. Dit is het geestelijke dualisme. En anderzijds poogde zich daarentegen een richting te handhaven, die omstreeks denzelfden
tijd
het karakter
van het Arminianisme aannam, en die aan het oude ik zooveel waarde toekende, dat ten leste het nieuwe leven geacht werd uit den wil van het oude ik te ontstaan; iets wat ten slotte op een vernietiging van Gods almachtige genade en op loochening van het volkomen verderf door de zonde moest uitloopen. Wie dit nu wel in het oog vat, zal terstond be-
waarom onze vaderen in hun eerste worsteling, toen het tegen de Dooperschen ging, zeer beshst met hun belijdenis van de gemeene gratie uit den hoek kwamen; maar ook, hoe ze in hun tweeden strijd, nu niet grijpen,
met de Dooperschen, maar met de Arminianen, van de gemeene gratie zwegen, en al hun kracht saamtrokken op het handhaven van het karakter van het nieuwe leven als door God gewrocht zonder toedoen van het oude ik. En overmits nu die tweede strijd de laatste was, en achtereenvolgens in
dezen twxeden
strijd
de dogmatische formules
zijn
uitgewerkt, laat het
zich volkomen verklaren, hoe onze Gereformeerden, na eerst zoo moedig met hun belijdenis van de gemeene gratie opgetreden te zijn, nochtans in
hun latere dogmatische uitwerking dit gewichtig leerstuk bijna glippen heten. Doch wat is nu daarna gebeurd? Toen eenmaal de Arminianerij, niet enkel door de geestelijke kracht der waarheid, maar met behulp der Overheid, officieel en kerkelijk
was
ter aarde
geworpen, stak de Gereformeerde
ze staakte den strijd, en meende het voortaan kunnen met eindelooze herhaling der aloude, eens tegen de Armi-
theologie het zwaard op, af te
nianen gebezigde bewijsvoering. Daartegenover nu strekte zich de wereldgeest, om, wetende dat hij geestelijk op verre na niet tot in zijn laatste verschansingen was ontwapend, telkens weer,
den aiouden
strijd
met ons aan
te binden.
zij
het ook in anderen vorm,
Zonder het
zelf te
vermoeden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's