De gemeente gratie - pagina 113
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
VERBAND VAN PRAEDESTINATIE EN SCHEPPING. een
tuil,
maar de plant
is
God door Satan verarmen, als
een stam,
als
kwijt;
hij
hij
is
109
En
verarmd.
zoo nu laat ge
indien ge stelt, dat God, die de menschheid
een geslacht, als één plant, als een machtig organisch
geheel schiep, die menschheid, dat menschelijk geslacht zich door Satan
afgesneden Dit bedoelt
om
zelf
als
God
bloemen van
die
plante
ontwringen,
ziet
men dan wel
niet zoo,
gebrek aan doordenken, indien
dan enkele stengels en enkele
niet
zijner
schepping over te houden.
maar het hgt
men op
er
in,
en getuigt van
wijze van de zahging der
die
enkelen spreekt.
van verkoren personen zal eens voor God geuren^ maar de plante zelve der geredde menschheid zal eens voor God eeuwiglijk bloeien. Dit toont de Heilige Schrift klaarlijk, waar ze de verkorenen Niet een
tuil
als saam waar ze een ander maal
ledematen noemt van één organisme, en allen saam ons voorstelt één lichaam uitmakende, welks hoofd Christus
is;
ons die verkoren menschheid toont niet als een bussel afgesneden ranken,
maar
ranken in den wijnstok; of ook betuigt, dat wie leven
juist als
ééne plant met Christus geworden
is.
Dit nu
mag
heeft,
niet zoo verstaan, alsof
deze personen eerst van het oorspronkelijk lichaam der menschheid werden afgesneden, en alsnu tot een nieuw lichaam onder Christus in elkaar werden gezet. Hoe toch kan men zich zoo iets denken? Een plant waarvan ge enkele takken en bloemen afsnijdt, om alsnu uit die afgesneden takken en bloemen een nieuwe plant saam te stellen. Verbeeld u het lichaam van een dier of mensch, waarvan ge enkele ledematen afsnijdt, om die afgesneden ledematen, met een nieuw hoofd er op, weer tot een Uchaam te maken. Een plant, een lichaam maakt men niet, en zet men niet in elkaar. Het onmisbaar kenteeken van elk organisme is juist dat het uit een kiem opgroeit en één in zichzelven is en blijft. Daarom leert Paulus dan ook in 1 Cor. 15 dat opstanding is: het opnieuw uitloopen van het leven uit de stervende kiem. En nadat hij dit eerst op de opstan-
ding van ons
stoffelijk
lichaam heeft toegepast, past
hij
het daarna, en in
rechtstreeksch verband, ook toe op het „hchaam der menschheid", als zegt:
„Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een
wordt er opgewekt. Er lichaam. Alzoo tot eene
is
levende
is
een natuurlijk lichaam, en er
er ook geschreven: ziel;
de laatste
De
eerste
Adam
tot
hij
geestelijk lichaam is
een geestelijk
mensch Adam is geworden een levendmakenden geest.
Maar het geestelijke is niet eerst, doch het natuurlijke, daarna het geestehjke. De eerste mensch is uit de aarde, aardsch; de tweede mensch is de Heer e uit den hemel. Hoedanig de aardsche is, zoodanige zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche
en wij
gelijkerwijs wij het beeld des
is,
zoodanig
zijn
ook de hemelschen;
aardschen gedragen hebben, alzoo zullen
ook het beeld des hemelschen dragen,"
vs.
44—49. Juist daarom
heeft Christus dan ook niet een menschelijk lichaam voor de jaren zijner
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's