In Jezus ontslapen - pagina 193
,NU KEN IK TEN ÜEELe".
177
—
eeu overbrengen van aardsclie verhoudingen in het wijzen is alsof het aan de overzij van het graf slechts eeuwige. Doen de voortzetting ware van ons leven hier. De school, de hoogeschool aan de overzij van het graf. Hier peinzen en zinnen, daar peinzen en zinnen. Hier onderzoeken daar onderzoeken en studeeren. En zoo ook in en studeeren den hemel de wijze man en het onnoozle kind. De hoogmoed en de trots der geleerden tot in de eeuwigheid ingedragen. En juist die trots van ons weten moet tot zelfs bij den geniaalsten denker in het graf begraven worden. Als de knndigste hoogleeraar een jong kind verliest, en dat kindeke behoort tot de vrijgekochten des Heeren dan beteekent al de kennis en de geleerdheid van dien schranderen vader niets niets bij de volmaakte keunis waartoe het kindeke inging. Dan keert het graf op eens de verhouding tusschen den vader en dat kindeke om. Vóór dat sterven hij de wijze man en dat kindeke het onnoozel wicht. Na dat sterven hij de onnoozle spiegelkijker, en dat zijn ,
,
,
,
kindeke God kennende volmaaktelijk.
Zoo van de
boom
valt, zoo blijft hij liggen, is (nu afgezien juiste uitlegging van Pred. 11 : 13) de zinrijke uitdrukking voor de allesbeheerschende, diep-ernstige, zieldoordringende gedachte, dat er geen bekeering is na den dood. als
de
min
juiste of
Na
Ook
het sterven daarin ligt weer hetzelfde uitgesproken: loorden, oi verworden meer, doch een ingaan in het eeuwige zija^ en in dit zijn onveranderlijk blijven. De Sabbat. De eeuwige ruste. Dat er in het eigen oogenblik van het sterven nog iets in een ziel gebeuren kan waar niemand die bij het sterfbed staat
geen
,
iets
van
merkt, hield
mingen groot neemt
,
Calvijn
met hem
vol, ;
maar
en ieder die Gods ontferis als de slag gevallen is ,
er eeu beslissing voor eeuwig.
Een meerdere een betere kennis van het Evangelie van eigen zonde, en van de vrucht van Christus' offerande, kan dan niet meer als nieuw deel aan de oude kennis worden toegevoegd. De prediking der behoudenis gaat bij deelen, en hoort daarom bij deze bedeeling. In de volmaaktheid is het een doorgronden van het eeuwig Verlossingswerk met de klaarheid van het ontsloten zielsoog: maar juist dit ontsluiten van het zielsoog moest er vóór het sterven zijn en die met het zielsoog toe insliepen zullen eeuwiglijk rouw dragen. ,
,
,
12
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's