De gemeente gratie - pagina 328
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET
324
GOD DIE ONS HEILIGT.
IS
hebben dan ook niets met elkander gemeen. Zedelijke verbetering is het besnoeien van de ranken, „heiligheid" is de inenting op den wilden boom van een geheel ander leven. Zedelijke verbetering kan vrucht van opvoeding zijn, doch zelfs de beste opvoeding kan het kind niet „heiligen." Zelfreiniging van hart en karakter kan de onwedergeborene zoowel als de wedergeborene zoowel als de „Heiligheid", en „zedelijke verbetering"
wedergeborene machtigste,
maken. Al
maar de grootste zelfbeheersching en de zelfaangrijping kan nooit wat onheilig is heilig
ondernemen,
ernstigste is
het dan ook dat de Neo-Kohlbrüggeanen, geheel blind voor
het werk der gemeene gratie, en voor de reëele inwerking van den Heiligen
Geest op het menschelijk hart, de heiligmaking,
als
in
het geloof inbe-
grepen, feitelijk hebben weggecijferd, hierin hadden ze recht, dat ze
met
heiligen toorn getoornd hebben tegen de vermetele poging om de heiligmaking te doen voorkomen als een gradueele heiliging, waartoe de zondaar na tot het geloof gekomen te zijn, sidizelven bewerkte. De „heiligmaking" is een genadedaad Gods aan ons, niet een" werk van den mensch aan zichzelven, en als er staat „Jaag de heiligmaking na, zonder welke niemand den Heere zal zien," beteekent dat niet: Doe uw best, en span u in, om uzelven zedelijk te verbeteren, want alleen wie hiermee gereed komt, zal den Christus in heerlijkheid aanschouwen, maar dan is onder jagen naar heiligmaking te verstaan, een zoeken van die innige gemeenschap des :
met God en Christus, dat zijn heiligende genade zich krachtig in ons betoone. Een andere voorstelling leidt tot wanhoop. Ware toch de heiligheid een kleed, waaraan we zelven weefden, en dat af moest geloofs en der liefde
we den hemel konden
binnengaan, dan zou alleen een stokoude kunnen inbeelden hiermede gereed te komen, terwijl ieder, die in het midden zijner dagen werd afgesneden, door God zelf zou verhinderd worden, om zijn heiligheid te volmaken, en daarom verloren gaan. We kunnen daarom niet streng genoeg aan het absoluut, d. i. volstrekt zijn,
eer
grijsaard zich
karakter der heiligheid vasthouden.
Ge
zijt
heilig
of ge
zijt
niet heilig.
Een man die wedergeboren is, is heilig, en kan juist daarom niet zondigen, want het heilige zaad blijft m hem. Een wilde wingerd, die ingeënt is in een edelen wijnstok ging niet langzamerhand
uit
den éénen staat
anderen over, maar hield op eenmaal op wilde wingerd te
zijn,
in den.
en was op
eenmaal edele wijnstok. Zoo nu verstaan is onze wedergeboorte zelve onze heiligmaking. Wie wedergeboren werd was onheilig, en werd heilig. Als Paulus dan ook aan de kerk van Corinthe schrijft: „Maar gij zijt afgewasschen, maar gij sijt geheiligd,
maar
gij
zijt
gerechtvaardigd" (Cor. 6:11), dan volgt reeds uit dat
na de heiliging, dat hier heiliging op met inbegrip van haar uitwerking. Men kan, omdat in het werk Gods alles
plaatsen van de rechtvaardigmaking
de wedergeboorte zelve
Men kan
ziet,
natuurlijk
dus tweeërlei doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's