De gemeente gratie - pagina 484
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE DOOD EEN TE BESTRIJDEN VIJAND.
480
Toch reikt dit nog veel verder. Er is, o, zooveel namelooze ellende, die nog wel niet de volstrekte dood is, zoodat we sterven, maar die toch het leven ten deele voor ons inperkt, het leven drukt en benauwt. Blindheid doet omwandelen als in de donkerheid des doods. Allerlei sleepende ziekten en kwalen, brengen een halven dood over ons menschehjk leven. Gebrek
En
te lijden is half levend sterven.
ook dan
Hjden,
Vanzelf voelt een ieder dit
Maar ook
beroofde.
het hart,
is
ge
zelfs als
let
op het meer innerlijke
het een schaduw als des doods die over ons komt.
is
bij
bij
rouwe, als het de dood was die ons hart
ander verdriet,
bij
alle zielepijn
en kwelling van
het altoos of banden des doods ons omstrikken, of ook alsof
een zedelijke dood ons terneêrsloeg. Alle dichters die ons menschelijk leed
bezongen hebben, toonen dan ook in hun zangen, dien samenhang tusschen het innerlijk leed en den dood zoo diep gevoeld te hebben, dat
hun eigen
De dood
vertolkt.
kan
doods ons het verdriet onzer
wijze, in het beeld des
niets op zichzelf.
is
in volstrekten zin geschieden,
De dood
ze, elk
ziele
op
hebben
levensbeneming. Dit nu
is
en dan sterven we. Maar dat leven kan
ook ten deele worden aangetast, het genot van dat leven kan voor een deel ons benomen worden, en al wat de kracht van ons leven breekt, of de volle genieting van het leven derven doet, sterven nog terwijl
spraak
is.
Wie
we
is
Of vraag het maar aan dien ongelukkige, die
dood
dat dit slechts beeld-
zoo spreekt, kent het lijden in zijn doodelijke bangheid niet.
dat levend sterven door leed en zieleangst
dan den dood opeens, den dood
dragen,
een begin van dood, een
En nu zegge niemand,
leven.
zelfmoord heil zocht, of
in
hem
in zijn
nog harder viel te volkomen uitwerking, den niet
in zijn volstrektheid.
Zoo
zijn
en ellende ding, zoo
de
feiten,
leert,
en hetgeen de Schrift omtrent het opkomen van leed
zegt ons dat het niet anders kan. Er
de mensch tegen
God
dood. Slechts van één oordeel
het oordeel des doods.
opstond, bedreigd,
is
was
slechts één
en dat ééne was de
vóór den val sprake, en dat ééne was
Van geen andere
straf voor de zonde
was sprake
dan van den dood. En in dat ééne bange woord: Gij zult den dood, d. i. den eeuwigen, den volstrekten dood sterven, had God Almachtig al de
komende openbaring van die nevens of voor als
ge daarvan en
ellende
alle
zijn
toorn saamgevat.
Van een andere
ellende,
den dood zou opkomen staat er geen woord. Ten dage
eet, sult ge den dood sterven, is de eenige, alle leed en eeuwige rampzaligheid in zich saamvattende dreiging van
den Heilige. De dood was het inbegrip en de saamvatting van al wat nu of eeuwig 's menschen leven, aanzijn en bestaan benauwen of kwellen zou, naar ziel en naar lichaam. Daarom kon in dat ééne begrip van dood nooit uitsluitend de tijdelijke dood zijn aangeduid.
zeggen
uw
:
Ten dage
als
ge daarvan eet zult
dood eeuwig rampzalig
zijn.
gij
Doch daar
Dan
toch had
God moeten
den dood sterven, en en na
staat niets van.
Adam
en Eva
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's