In Jezus ontslapen - pagina 119
,, ,
107
De zuilen zijn geteld. Elke zuil is er één. En niet één enkele kunt ge u wegdenken, of liet betooverend schoon der harmonie gaat teloor.
Daarom
van Jezus, dat wie overwint een zuil, zoo warm en veelzeggend. De tempel van God zonder u niet af. Eerst als ook gij er in zult zijn gerangschikt voltooid in zijn hemelsch schoon. Ja, waarlijk, omdat God u uitverkoor, ook gij voor dien voleinden bouw onmisbaar. En niet onmisbaar alleen voor het schoon der harmonie. Hier op aarde moet wel, omdat het leven zóo laag is, het kunstschoon op alle manier boven het leven uitgaan. Maar in het rijk der heerlijkheid valt alle kunst weg, omdat het leven een
is
pilaar
die belofte
zal
zijn,
volmaakt in schoonheid zal wezen. de pilaar in den tempel Gods zal niet enkel schoon zijn, maar ook dragen. Dus zult ge beteekenis voor dien tempel hebben. Er een deel van uitmaken. Het geheel ervan zal, hoe wonderbaar het u ook in de ooren moge klinken, mede rusten op u. En dat zal Jezus waar maken, niet enkel voor een Paulus of Petrus, of voor wie ook na de apostelen, in Jezus' kerk op den voorgrond trad en wiens naam verren klank gaf. O neen dat zal Jezus tot een waarheid doen zijn voor een iedei' die overwon. Ook voor den stille in den lande, voor den vergetene en hier op aarde nauwelijks meegetelde. Het zal er mee zijn als met de starren Gods in het firmament. Gij ziet zon en maan, en kent nog enkele starrenbeelden. Maar wie telt de duizend en tienduizend zonnen met hun dwaalstarren en wachters, die schuilen in den melkweg? En toch ook die allen verkondigen Gods glorie, ook die kent -de Heere allen bij name ook die roept Hij en zie er wordt niet één gemist. En zoo nu zal in die doorluchtige zuilenrijen van den eeuwigen tempel elke uitverkorene des Heeren meeschitteren meedragen, met alle heiligen saam het ééne groot geheel uitmaken, en Jezus zal het zóó willen. Niet gij zult daar gaan staan, maar Jezus zal u daar stellen. In de glorie die hij bij den Vader heeft, rust zijn Middelaarshart niet. Hij wil die glansen zijner heerlijkheid zelf zien schijnen, stralen en schitteren de eindelooze zuilengangen van Gods tempel door, en ook daarbij kan er niet één, kunt ook gij niet gemist worden. Alleen maar, ge moet overwonnen hebben, overwonnen tot den einde toe. Het hart dat niet Satan verwon, maar zich door Satan verwinnen liet, gaat in het graf mat en dof als de tichelsteen en kan nooit meeglansen in de hemelsche zuilenrijen van Smaragd en Porphyr. zelf er
De
zuil,
,
,
,
,
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's