De gemeente gratie - pagina 56
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEREFORMEERD UITGANGSPUNT.
52
hooge mate gevaarlijk wordt. Vaak toch
in
is
geleeraard, dat
„onbekwaam
eenig goed" niet zeggen wilde, dat de gevallen mensch uit zichzelven
tot
meer
van burgerlek goed in staat was, maar dat onbekwaamheid alleen zag en doelde op onze onmachtigheid om eenig zaligmakend goed te volbrengen. Het heette dan, dat goede werken alleen dezulke zijn, die uit oprecht geloof, Gods wil conform, zich naar Gods eere uitstrekken. Tot al zoodanig goed was de mensch, zoo erkende men dan, na zijn val volstrekt onbekwaam; eer neigde hij, buiten wedergeboorte, tegen het geloof in, dong altoos op Gods wet af, en had bij zijn beste intenties nevenbedoelingen, die niet Gods eer, maar niet
tot het betrachten
deze zijn geestelijke
eigen voordeel of genot bedoelden.
Op
manier scheen men dus de
die
krasse uitspraak der Heilige Schrift over de verdorvenheid onzer natuur te redden,
en het nochtans zeer verklaarbaar te maken, hoe er
wone menschelijke leven nog zooveel dat
in
en wel luidde",
het ge-
te
waar-
Er sproot dan uit onze gevallen natuur nog wel allerlei burger en gewoon natuurlijk goed op, alleen maar dit soort goed, van hoe hooge
deeren lijk
„lieflijk
viel.
beteekenis ook voor het leven op deze aarde, schoot geheel te kort als
men
met de eeuwigheid en de hooge bestemming van den mensch rekende. Tot dat geestelijk goed, dat met het oog daarop meerekende en in aanmerking kwam, was de gevallen natuur volstrekt onbekwaam, en voor dit soort goed moest zaligmakende genade
te
burgerlijk goed niet tot stand
Want wel erkende men,
hulp komen.
kwam
buiten
dat het
God om. Maar de hulpe Gods
daartoe verleend, was niets anders dan die Goddelijke bijstand, die voor alle
schepsel onmisbaar
is.
Gelijk ge niet
ademen
kunt, of
God moet
het
leven in u bestendigen, zoo ook kondt ge geen burgerlijk goed uitrichten, of
de Goddelijke kracht moest
uw
natuurlijk leven dragen en bestendigen.
Deze, in den grond Roomsche beschouwing, leidt principieel tot de dat de mensch ook vóór
ling,
zijn val,
het zaligmakend goed
naamd: de oorspronkelijke gerechtigheid en
heiligheid)
alleen
stel-
(alsdan ge-
bezat als
een genadegift, die toegevoegd was aan hetgeen van scheppingswege in
Er werd alzoo in den eerstgeschapen mensch een tweeheid had vooreerst de hem als mensch verleende menschelijke natuur, met alle krachten en vermogens die van die menschelijke natuur in beginsel onafscheidelijk waren; en ten andere de hem bovendien, en bij zijn natuur bijkomende genade, en dat was de oorspronkelijke gerechtig-
zijn
natuur
gesteld.
lag.
Hij
heid en heiligheid, het ware geestelijk en zaligmakend goed. In elk dier twee school dus een goed. In de menschelijke natuur op zichzelve zekere
bekwaamheid voor het burger! ijk-aardsche goed, en in de aan den mensch verleende genadegifte de bekwaamheid voor het geestelijk-zaligmakend goed.
Twee
sferen,
de eene aardsch, de andere hemelsch, en voor de aardsche
sfeer de menschelijke natuur als zoodanig, terwijl voor de hemelsche sfeer
alleen
de genadegifte der oorspronkelijke gerechtigheid beteekenis had.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's