De gemeente gratie - pagina 39
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
WAAROM DEZE OPLOSSING ONBEVREDIGEND?
35
men onwillekeurig meegesleept met de gedachte, dat de eerste mensch, in zijn ullerlaagsten staat van ontwikkeling zeer wel een bijzonder gelukkig ontwikkelde orang-oetang kon geweest zijn.
voorafgegaan, dan werd
Toen nu eenmaal deze
voorstelling omtrent de
ingang vond, volgde hieruit vanzelf, dat ling
men
herkomst van den mensch zich de geheele ontwikke-
van ons menschelijk geslacht voorstelde,
als een langzame gestadige opklinnning uit zeer ruwen, nog bijna gansch dierlijken toestand tot al
hoogeren vorm van leven. Hoe later
men
het dus
treft,
want des
keling voortgeschreden.
te
men
verder
Vergeleken
bij
in het leven komt, hoe beter de menschheid in haar ontwikalle vroegere eeuwen stond alzoo
is
onze eeuw het hoogst. In de middeneeuwen was het nog zeer donker geweest. In de dagen der Reformatie brak slechts aanvankelijk een zwakke
schemering door. Op het laatst der vorige eeuw was de zon eindelijk door de wolken gebroken. En nu, in onze schoone eeuw, wandelde heerlijkst
licht.
men bij het En overmits nu de Roomsche kerk ons naar de Midden-
eeuwen, en de orthodoxie ons naar de morgenschemering wilde terugleiden, moesten beide weerstaan worden als terugleidende van het licht naar de duisternis.
Een volgende zou nog weer staan boven onze eeuw. En
Het zich nu reeds beschrijven, gelijk
men
zelfs
het dan ook beschreven heeft,
wat wondere gelukstaat alsdan ons menschelijk geslacht
te
wachten stond.
Doch nu ter zake. Bij nauwlettend onderzoek bleek namelijk, dat wel de menschheid zich in haar geheel aldoor voortbeweegt, maar niet elk mensch op zichzelf liep hierin even hard meê. In den één was het diernog machtiger dan in den ander. Er waren zeer ontwikkelde maar waren ook zeer achterlijke personen. Bijna geen twee waren gelijk. En
lijke
er
van graad van ontwikkeling ontstond nu wat wij „zonde" noemen. Zelfs de verst ontwikkelde voelde nog wel iets van zondebederf, maar bij hem was dit niets anders dan de drang naar het hoogere, waaruit onvoldaanheid met zijn tegenwoordigen toestand moest opkomen. Maar de uit dat verschil
wezenlijke zonde, de misdaad, de gruwel vond
zijn
oorsprong alleen in een
lager graad van ontwikkeling.
Dat iemand slechte dingen doet, wil alleen is. Dat moet men dus door opvoeding en politie tegengaan, niet omdat het slecht is, maar om den achterlijken mensch vooruit te helpen. Dat men nog van „berouw" spreekt, en „schuld" straft, kan geen kwaad, omdat de mensch er door vooruit komt. Mits maar steeds in het oog worde gehouden, dat dit alles slechts manier van spreken zeggen,
is.
dat
hij
Eigenlijk toch
want
al
nog zoover niet
is
er noch zonde noch schuld noch oorzaak voor berouw,
wat den hooger staande ergert en hindert
is
alleen daaruit te ver-
klaren, dat de andere men.schen nocj zoo ver niet zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's