In Jezus ontslapen - pagina 176
,
164
gebed het hart van den eeuwigen Ontfermer daartoe bewegen kan. En kan bet dan anders of die moeder zal voor baar kind die vrouw voor baar man, die vriend voor zijn vriend elk ofiPer overhebben om zijn bekeering en daarmee zijn eeuwige ,
,
,
zaligheid, te bevorderen.
Ook hiermede mogen we
niet valt de
meegaan. Hier, niet aan de
beslissing. Wat ge in uw dat blijft ge eeuwiglijk. Maar ware het anders, we onze dooden, die buiten Jezus sterven, na hun dood nog te hulp komen, er zou geen liefde in ons zijn, zoo we het niet deden. De heilige apostel erkent dat zoo ten volle, dat hij zelfs hen, die zich voor de dooden lieten doopen, niet hard valt, maar veeleer op hun vast geloof aan de opstanding der dooden zich beroept ^).
overzijde
van
het
jongsten
snik konden
zijt,
graf,
Zullen we het nu een gemis noemen, dat ons, ter wille van onze Belijdenis, dit liefdebetoon vreemd is? Er is geen oorzaak voor. Te minder zoo ge er op let, hoe dit liefdebetoon voor den dood e vaak tot verzuim van liefde voor den levende leidt. Wie waant dat hij na den dood van zijn kind, diens bekeering nog bevorderen kan, laat zoo licht na bij het leven van zijn kind op bekeering te dringen. En ook wie denkt dat hij na zijn sterven de reiniging nog kan voleinden, laat zoo licht in dit leven van den ernst der heiligmaking af. Hoe volstrekter grenslijn tasschen dit en het eeuwige leven blijft, en hoe on veranderlijker de beslissing blijft, die in het sterven plaats grijpt, hoe hooger de ernst wordt, die zich aan deze zij van het graf openbaart. Op het misbruik, waartoe het andere beginsel geleid heeft, komen we nu niet eens. Het geld heeft ook hier zijn booze rol gespeeld. Voor geld de Mis en de Mis het redmiddel voor onze dooden. Men kent al het materialisme dat hier insloop. Toch komen we daar nu niet op. We letten thans alleen op den edelen kant die er aan was voor zoover het verlangen er in sprak, om indien mogelijk nog iets voor de zaligheid van zijn dooden te doen. ,
,
,
1) Bij de uitlegging vau deze plaats houden we ons niet op. Den Doop uit te stellen tot aan zijn dood, was een tijdlang gewoonte. Men dacht dat in den Doop alle zonde die achter den Doop lag, werd Aveggenomeu. Vandaar het uitstel. Een uitstel, dat vaak tot afstel leidde, als de dood overviel. En dan liet, zoo men wil,
een ander zich doopen voor den gestorvene, verwachtende dat deze
Doop
als
voor
hem zou gelden. We beoordeelen dit thans niet. Ons was het hier alleen te doen, om te laten uitkomen, dat Paulus, deze gewoonte vermeldende, zich er toe bepaalt, om te letten op het motief, dat dreef.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's