De gemeente gratie - pagina 381
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
377
TRANSCENDEKTIE EN IMMANENTIE.
en u zorge baart; en nu,
uw onmacht om
dat alles zelf te voorzien, gevoelende, buigt ge u eerbiedig neder, roepen de hulpe van den almachtigen God, in wiens hand ge zijt,
en
in
om
in te
en die immer machtig
is
u
nood
uit eiken
uw
de liefde Gods, die zich over heel daar rust ge
vrede
dat alles zelf te beheerschen
in
daarin verheugt ge
in,
uw
ziel
om
Wat we
de glans van
is
dat brengt u troost en doet hooger
u,
dalen; en wezenlijk te beklagen
den kinderlijken smaak,
Dat
te redden.
leven uitspreidt, en daar geniet,
is
de starre denker, die
God te zijn, verloor. de gewone voorstelling van Gods
alzoo rijk in zijn
over het averechtsche in
men
Voorzienigheid schreven, had dus, gelijk bedoeling,
om
deel, juist
door deze voorstelling als een door
deze rijke vertroosting uit het leven
God
het minst niet de
in
ziet,
weg zelf
nemen. Integen-
te
gewilde menschelijke
vertolking van zijn Voorzienig bestel te omschrijven, hergaven rijke,
we aan
dit
vertroostende karakter van deze voorstelling vastheid en zekerheid,
we
en sneden
af alle
troost rooven zou.
betweterij,
We
ons, ter wille der Besluiten,
die
en blijven
zijn
menschen, en kunnen
dan op menschelijke wijze en in menschelijken vorm, en taal, de zaligheden onzes Gods genieten. Wat Jezus van de
om
en de vogelen des hemels sprak,
morgen bezorgd zouden
zijn,
ons te bewijzen, dat
bevestigt
dit
dan ook
in
dezen
niet anders
menschelijke
in
leliën des velds
we
niet voor
den meest
den
letter-
lijken zin.
Alleen maar, ge moogt dan ook nooit vergeten, dat dit menschelijke vertolking
en nooit voet geven aan de gedachte, alsof het deswege nu ook
is,
God bestond en toch dit juist is de fout, waarin men vervallen man in kinderlijken vorm en in kinderlijke taal met een kind omgaat, mag niemand daaruit afleiden, dat dus deze wijze man
alzoo voor is.
;
Als een wijs
klein
zelf zóó
staat.
denkt, zóó tot zichzelven spreekt, en alzoo voor zichzelven be-
Steeds moet in het oog worden gehouden, dat
tolking te doen hebben, en dat te
te
uit
klimmen.
de vertolking tot
Waar
men men dat werk Gods ook
als
met een
zijn
ver-
eigen oorspronkelijke taal
teruggaan.
Wie
„onderhoudend en regeerend werk"
men
uit
of,
met moeten
zijn
te
Wezen en
zijn
zal
de vertolking op het oorspronke-
dat anders doet en dan nog
menschelijke ervaring, maakt zich van die
hier
alzoo in de stelselmatige godgeleerdheid
indenken en uiteenzetten, moet lijke
we
over hem, die aldus spreekt, zei ven
het noemt, in de Dogmatiek, sprake komt van het werk Gods,
gelijk
en
weer
oordeelen,
hebben op
we om
blijft
redeneeren uit onze
God een menschelijke
werken geheel
in strijd
is.
voorstelling,
Zoo zouden we wel
werk gaan, zoo ons geen openbaring van de kennisse Gods was gaan dan ook zoo en niet anders te werk.
gegeven, en
zij
Maar óns
die openbaring gegeven.
is
die deze missen,
God
heeft iets van de majesteit van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's