De gemeente gratie - pagina 301
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ZEDELIJK GOEDE IN DEN ONWEDERGEBORENE.
297
mannen en vrouwen zijn gezien, die ongemeen gaven der genade van hun God hadden ontvangen, en die door
dat er nu en dan enkele sierlijke
reinen, leidelijk
zich
vromen wandel, door
deden
uitstralen,
kwam men men
innige overgave en toewijding, en door ver-
schoone zelfverloochening zeer krachtig het hcht des Geestes van
maar
alleen door
ze
daarom heilig waren, met anderer gebrekkigheid te vergelijken; en
tot het besluit dat deze
zou heel anders geoordeeld hebben, indien
men
ze, gelijk
behoord
had, getoetst had aan het heilige Gods. Zonder hierop verder in te gaan,
houden we ons daarom aan een Paulus,
die uitroept: „Ik ellendig mensch",
en aan een Johannes, die betuigt: „Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zoo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet."
Een zeggen,
meervoud
waarbij, blijkens het
wij,
deze heihge apostel zich-
zelven insluit.
Zoo gaan
we dan
uit
van het
feit,
dat een wedergeborene, die zich be-
maakt van een fontein te zijn, waaruit welt. beurtelings zoet en zout water Het zoute water het meest, het zoete zeldmmer. Immers het is en blijft het ééne zelfde ik, het is en blijft dezelfde persoon, die de ééne maal in liefde sichselven, en de andere maal door zelfzucht de liefde verloochent. Zelfs moet ge toegeven, dat het heilige in Gods kinderen gemeenlijk zwak uitkomt, en dat ze veelal van keerde, metterdaad al den indruk
gewone kinderen der wereld niet zoo sterk verschillen; althans zoo ge niet tot de wanhopende meening overhelt, dat er in heel een plaatselijke kerk hoogstens tien, twaalf oprechte kinderen Gods saam vereenigd zijn
met honderden en duizenden hypocrieten, we zeggen niet in de wereld, maar zelfs in de beste kerk. Vervalt ge hier nu niet toe, en neemt ge naar het oordeel der liefde aan, dat het getal der kinderen Gods veel, veel grooter is, dan zult ge moeten toestemmen, dat een vergelijking tusschen deze begenadigden met de kinderen der wereld, in bedrijf en nering, in
handel en wandel, door de bank niet dat groote verschü toont, dat ge
op zichzelf zoudt verwacht hebben. Ieder die ooit zulk een vergelijking ten opzichte van begenadigde en onbegenadigde personen, die op een zelfde kantoor, in eenzelfde nering enz.
werkzaam
zijn,
heeft mgesteld, kan bijna
geen ander besluit komen, dan dat de lieden der wereld hem meevielen, en dat de begenadigden hem tegensloegen. Want wel was er een tot
onderscheid in bepaalde dingen, in het kerkgaan, in het bidden,
in
m
het lezen uit de Schrift,
het onderhouden van den sabbat, en in het zich ont-
houden van spel en vermakelijkheid maar als ge beiden vergeleekt in hun bedrijf, in hun gewone doen en laten, in hun gesprekken, in hun overwegingen, in hun humeur, in hun drift, in hun zelfinbeelding enz., dan moest het u wel treffen, dat het verschil veel minder groot was, dan ge ;
vermoed zoudt hebben. En al mag, zonder overdrijving, verklaard, dat door elkaar genomen, naar evenredigheid, de belijdende Christenen niet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's