De gemeente gratie - pagina 310
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
TWEEËRLEI
306
IK.
is dat dan één. Maar beschouwen we nu dat middelpunt op zichzelf, dan springt het in het oog, hoe ook hier weer te onderscheiden valt, eenerzijds tusschen onze
wezen, en tegenover onze levensuitingen genomen,
neigingen, ons verstand
Ik
in deze drie werkt.
en onzen
en anderzijds tusschen ons
wil,
verstand én wil het vereenigingspunt. Hieruit
middelpunt er
van
ik.
En
dat
zelf
van ons wezen weer en
in ons ik,
2".
binnenste kern^
ik, als
dat
blijkt,
dat
men ook
én
onderscheiden heeft:
te
1*'.
in het
de kern
de onderscheidene bewegingen of functiën van dat
eenmaal goed gevat, dan
is dit
ik,
neig, ik denk, ik wil. In het ik vindt én neiging
blijft
wat het
zal is,
men
terstond inzien, hoe alleen
maar hoe daarentegen
die neiging,
denkende en die willende beweging, bij weeromstoot, zekeren invloed van de gemeene gratie ondergaan. Beproef het zelf maar door drie, vier die
dunne koperdraden
nemen, die ge
te
in
één punt saam vastlegt, en nu
naar verschillende kanten uitlegt, en onderaan het vereenigingspunt met
uw ze
linkerhand naar links afbuigt, onderwijl ge op de helft van den draad
met uw rechterhand ombuigt naar
hoe de druk door
uw
rechts.
Dan toch
zult ge zelfs voelen,
rechterhand uitgeoefend niet alleen de uiteinden der
draden naar rechts ombuigt, maar ook benedenwaarts zekeren druk op het benedengedeelte uitoefent, dien ge op de vingers van duidelijk
Als
gratie.
uw
linkerhand zeer
waarneemt. Ditzelfde nu geldt natuurlijk ook van de gemeene zij,
op welk gedeelte van de
lijn
ook, die
lijn
aangrijpt, en in
haar verderen verloop naar rechts buigt, komt hieruit ook een spanning,
een druk naar beneden voort, die wel nooit de kern van het ik kan aandoen,
maar wel haar uitwerking
en op den zijn
wil.
neigingen,
En
heeft,
op de neiging, op het bewustzijn,
hieruit verklaart het zich, dat de onbekeerde tot in
tot in zijn
bewustzijn, en tot in zijn wil den invloed der
gemeene gratie ondergaan kan. Dat dit echter, hoever het ook
ga, nooit het ik zelf omzet, en dat deze
omzetting van het ik eeniglijk en alleen vrucht van herschepping en wedergeboorte kan
zijn,
ziet
ge telkens aan de uitkomst. Immers ook
uitnemendsten onder deze personen niet dat
buigen.
de
bij
het resultaat van hun ontwikkeling
naar God toebuigen, maar steeds dat ze aldoor van God
ze
En
is
al is het,
dat ge dit in één persoon niet zoo terstond kunt
maken, omdat de meesten
afuit-
zich zoo weinig uitspreken, dit is in elk geval
buiten twijfel, dat de richting waarin deze uitnemende wereldburgers zich leidt, om hen en hun omgeving van de Schrift af te trekken, van de kerk van Christus te vervreemden, van de belijdenis van den levenden God te doen afdwalen, en het hoogste
gezamenlijk bewegen, er steeds meer toe
ideaal te
doen vinden
mensch. En
is
in
de verheerlijking niet van God, maar van den
het ons op die wijs mogelijk,
om van den
éénen kant
al
het goede, dat in de wereld voorkomt, ten volle te waardeeren, toch hand-
haven we deswege van den anderen kant streng en
stipt
onze belijdenis,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's