De gemeente gratie - pagina 293
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET ENTEN VAN DEN WILDEN BOOM. en indrukken afgaan, een poging wagen,
om
289
zulke mysterieuse verklaringen
te ontleden.
En
toch,
al is elk
spreken over dat
ons zieleleven plaats
grijpt,
er aan, of er bestaat
bij
alles,
wat op den achtergrond van
zoo uiterst moeilijk, toch twijfelt geen onzer
den wedergeborene tweeërlei soort van leven,
onze Belijdenis het zoo schoon uitdrukt,
gelijk
tijdelijk,
„het ééne hchamelijk en
hetwelk wij van onze eerste geboorte medegebracht hebben en
is
menschen gemeen," maar „het andere geestelijk en hemelsch, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, en dat leven is niet gemeen, dan alleen den uitverkorenen Gods." (Art. 35). Juist echter doordien nu in de wedergeborenen op dit reeds zoo mystieke gebied van het allen
innerlijk (leven alles dubbel voor ons treedt,
en tweeërlei gestalte aanneemt,
en in tweeërlei onderscheiden werking voor ons treedt, wordt het reeds zoo moeilijke spreken over het verborgen leven des harten nog eens zoo
bezwaarhjk. Hiervan nu behoort
men
voorzichtig in zijn
men
wel rekenschap
zich
uitdrukkingen
zij
te geven, opdat
en zich niet verlieze
in
alge-
meenheden.
Het
daarom raadzaam de tegenstelling tusschen dat tweeërlei leven waar het nog onvermengd uitkomt, d. i. bij zeer kleine kinderen, die ons vroeg door den dood ontnomen worden. Dat er ook onder deze kinderkens zijn, die vlak vóór hun sterven tweeërlei leven in is
eerst daar te bezien,
zich droegen, behoeft geen nadere aanwijzing. Ieder stemt dit toe.
moet wel. Anders toch zou men
óf vervallen
in
En
dat
de dwaalleer, dat deze
kinderkens niet in zonde ontvangen en geboren waren, en alzoo zonder
wedergeboorte
zalig
konden worden;
óf
wel
men
zou ze allen van Gods
barmhartigheid moeten uitsluiten. Als Gereformeerde Christenen doen wij
noch het één noch het ander, en onze belijdenis zij
in
zonde ontvangen en geboren
verdoemenis
zelve,
zijn,
en daarom
blijft
daarom, dat „ook
allerlei ellende, ja,
onderworpen;" maar ook dat God machtig
is
een wicht op te wekken tot een nieuw leven en in te leiden
der
om
zulk
in
zijn
maar wel van wedergeboorte is hen sprake. Het tweeërlei leven waarvan Art. 35 der Belijdenis spreekt, is dus ook bij hen aanwezig, edoch nóch het natuurlijke nóch het genadeleven is bij zulke kinderkens tot nadere ontwikkeling gekomen. De hchazahgheid. Natuurhjk niet van bekeering,
bij
melijke functiën
mogen
bij
zulk een kindeke reeds werken, de zielsfunctiën
van het natuurlijk leven werken nog spreekt nog niet.
En evenmin
is
er
niet. bij
Het kind denkt nog
niet en
zulk een kindeke reeds sprake
van ontwikkeling van het genadeleven. Zulk een kindeke weet nog niet wat gelooven is, het kent nog geen geestelijken strijd, het behaalde nog geen overwinningen in den strijd tegen de zonde. Alles sluimert in zulk II.
19
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's