De gemeente gratie - pagina 273
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
UITSTRALING VAN DE KERK IN DE WERELD.
Feitelijk bedoelt bij
men
alzoo beiderzijds hetzelfde,
de vraag, hoe de invloed van de Christelijke
der geloovigen te denken
is
en werken moet.
maar men gaat uiteen
religie
Op
269
buiten de personen
die vraag toch
antwoordt
de minnaar der Volkskerk: „Ge kunt geen invloed oefenen op wie en wat
uw
opgenomen; en daarom moet heel het volk in mijn kerk, en doop ik al wat in het doophuis komt. Alleen in mijn kerk brandt het licht. Buiten mijn kerk is niets dan stikdonkere nacht. Mijn kerk heeft geen vensters. De muren laten geen enkele lichtstraal niet in
kerkelijk instituut
En daarom moet
door.
ik
is
wel de muren mijner kerk
uitzetten, opdat allen
er plaats in vinden, en zich in de schittering van het licht des Evangelies
verheugen mogen." Wij daarentegen zeggen: Naar luid van Gods Woord en onzen Heidelbergschen Catechismus moet de Doop de geloovigen van de kinderen der ongeloovigen afscheiden.
Allereerst
is
dus zorg
te dragen,
dat de kerk als instituut, aan de merkteekenen der ware kerk herkenbaar,
midden des volks openbare. Binnen die kerk moet men trachten een ieder te lokken, maar in die kerk opgenomen mogen alleen zij worden, die met het hartgelooven en met den mond belijden, dat Christus de Middelaar Gods en der menschen is; zij met hun zaad; en de Christelijke kerk heeft te waken, dat waar hypo-
zich
wel begrensd en duidelijk uitkomend
crieten inslopen en
vigen worden
zichzelf
afgescheiden.
in het
verraden, ze van de vergadering der geloo-
Maar
al
moet aldus de heiligheid van het
Verbond, en hiermee het wezen der ware kerk gehandhaafd worden, vensterlooze muren kent de kerk van Christus niet. Het licht dat in haar midden op den kandelaar brandt, staat niet onder de korenmaat, maar straalt door de vensters naar buiten uit. Dat licht spreidt zijn tinten op al wat menschelijk is in het leven van volk en natie. En het is door den
zijdehngschen invloed, dat de kerk als instituut, heel het volk en heel het
leven des volks zegent. Ja, wel verre van dezen zegen aan heel ons volk te
willen onthouden, houden
we
grooter en des te heerlijker zal gelies in
Gods kerken brandt, en
veeleer staande, dat die zegen des te zijn,
in die
hoe helderder het
kerken
zal
hoe zuiverder de vlam en hoe zuiverder de atmosfeer opgaat. Aldus
blijft
licht
is
waarin die vlam
het naar den regel door Christus zelven gesteld: Zijn
kerk een stad op den berg, die reeds van verre een ieder Zijn
kerk een zout
des Evan-
het te sterker branden,
in het
in
het oog
valt.
midden van het wereldleven om het bederf
in
die wereld te keeren.
Doorziet ge de tegenstelling tusschen deze beide nu wel, dan zal het u
tevens duidelijk
zijn,
hoe hier metterdaad
alles
hangt aan de juiste onder-
scheiding tusschen de particuliere genade en de gemeene gratie. Is er niets
dan de wereld die onder den vloek
culiere
ligt,
en
in die
wereld een
parti-
genade, dan krijgt ge slechts twee verschijnselen in het leven:
Eenerzijds een deel der wereld dat Heidensch,
Mahomedaansch en Joodsch
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's