De gemeente gratie - pagina 422
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
DE TWEEDE NATUUR.
418
mits er ook onder de Christenen
die het zich Uefst anders voorstellen,
zijn,
dan een veld, waarop de demonen en de engelen elkander slag leveren. Ze erkennen dan wel, dat ze in zonde vielen, maar dit brengt hen niet tot schuldbesef en tot verootmoediging. Of wat konden zij er tegen doen, als de demonen goedvonden hun hart en in hun hart weinig anders
uit
te
kiezen,
zien,
het terrein waarop ze hun booze macht wilden open-
als
baren? De demonen hebben hun hart daartoe geen verlof gevraagd, en er den demonen geen verlof toe gegeven. De duivel is in hun zij hebben hart eenvoudig binnengedrongen, en heeft er zijn boos stuk uitgevoerd;
en natuurlijk tegenover zoo machtig wezen
de
als
duivel,
stonden
zij
machteloos. Op die manier nu valt de zelfverantwoordelijke mensch weg. Er blijft dan niets over dan een trechter, waarin óf de demonen hun kwaad, óf de goede engelen hun goed overgieten. Een zelfstandig ziels-
bestaan
is
er
dan niet meer.
daarom noodig, dat we thans, na de werking der gemeene gratie door de geestenwereld te hebben toegelicht, ook het vereischte licht laten vallen op die tweede werking der gemeene gratie, die rechtstreeks in ons menschelijk leven plaats grijpt, en die zich vastknoopt aan wat men met
Het
is
een verouderde uitdrukking noemt „de hebbelijkheid", een onschoone ver-
talmg van het Latijnsche woord habitus. Onze natuur
God geschapen, indruk
bij
dat hetgeen
ons achterlaat; iets
meê
Neem
gaat werken.
khmmen
namelijk zóó door
we doen of ondergaan, zekeren plooi, zekeren dat we door dien indruk ons aan het doen of
gewennen; en dat door
ondergaan van zoo
is
b. v.
dit
gewennen, onze natuur
het eenvoudige voorbeeld van het trappen
en trappen afloopen. Een kind dat pas hiermee begint,
zulk een trap als tegen een berg op, en schuifelt
trappen op en
af.
En
ziet
tegen
met moeite twee a
drie
zoo ook een neger uit het hart van Afrika, die nooit
een huis met een trap gezien heeft, weet niet wat
hem
overkomt, als
hij
van boven weer die trap meermalen op en af, dan gewent af naar beneden gaat. Maar khmt men oog, hand en voet van lieverlee dusdanig aan dat khmmen en afloopen,
opeens zulk een trap op moet, en duizelt als
hij
dat alles in ons er zich naar zet, dat alle bezwaar er
bij
wegvalt, en dat
nadenken
onzerzijds, zóó
nu voortaan onze natuur, ook zonder
opzettelijk
meewerkt, dat een jongen van
twaalf jaar, diezelfde trap, al
tien,
is zij
nog zoo hoog, opvliegt en er langs neêrschuift, zonder aan gevaar te denken. Hij rekent niet meer uit waar hij zijn voet moet zetten, noch ook hij zijn voet moet optrekken, om de volgende trede te halen. Al dat wondere werk van opheffen, van hoog genoeg optillen en neerzetten van zijn voet en dat opbuigen en intrekken van zijn lichaam, gaat
hoe hoog
dan
vanzelf, en dat zonder inspanning en zonder moeite,
zonder dat
hij
ooit mist.
En
zoo nu
bezigheden van ons leven behoort.
is
het
Wat
is
met
alles,
men mag
wat
tot
zeggen
de gewone
lezen niet een gecompliceerd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's