De gemeente gratie - pagina 324
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
HET
320
lijdelijk.
hij
is
wil gaat, zoo
Wat
hij
IS
GOD DIE ONS HEILIGT.
helt vanzelf en onwillens, en de actie
helt,
van den
werkt, juist tegen die overhelling in en poogt zich op te
houden. Die neigingen
dan ook
zijn
in
den oorspronkelijken mensch, en zoo
ook in ons zelven, buiten zonde gedacht, niets dan bijzondere trekkingen
God van nature naar het een
die
of ander in ons heeft gelegd.
De ééne
van nature naar de zee trekken, en niet rusten eer hij matroos jongen is geworden, terwijl de ander van de zee een onverwinlijken afkeer heeft, zal
en
hart naar de bergen voelt uitgaan.
zijn
artistiek zijn aangelegd zullen
Twee personen
die
beiden
nochtans even besüst de één naar de tonen-
de ander naar de schilderwereld neigen. Zoo trekt de één naar
wereld,
het handelend practisch optreden, de ander naar het
De één
peinzen.
voelt een neiging in zich naar
mijmeren en
stil
wat diepzinnig en mystiek, is. Zelfs kan
de ander een voorkeur voor wat helder in de oppervlakte
men
zeggen, dat in geheele volken de eene of andere neiging of trekking
En
sterker uitkomt.
of zuiging
in neiging gaat zóó ver, dat
dit verschil
onze verhoudingen tot de verschillende personen
het zelfs
waarom we van sympathie
beheerscht, reden
in
onze omgeving
spreken, van sympathie voor
den één, en van antipathie tegenover den ander. „neigingen"
In deze
dus op zichzelf niet anders, dan de gespecifi-
ligt
ceerde aantrekkingskracht die het één of ander voorwerp op ons uitoefent.
Evenals een plant beter
tiert
den éénen bodem dan
in
in
den anderen,
zoo ook tiert ons wezen beter in de ééne dan in de andere omgeving.
Dat
is
niet
eindeloos
bij
allen
verschil
het leven.
maar
één,
allen
bij
verschillend,
van „neigingen" ontstaat een
Want wel
zijn
rijke
en juist uit dit
veelvoudigheid in
er algemeen menschelijke „neigingen", die de
menschelijke natuur van de natuur van andere schepselen onderscheiden,
maar deze grondneigingen van onze menschelijke natuur allerlei
wijs in graad van
sterkte,
in
voegmg en dooreenstrengeling, en het
verschillen op
voorkeur door keuze, en in saamis
uit
deze bepaalde verhoudingen
dat ieders onderscheiden aanleg, inborst en karakter opkomt. Zoolang nu
de oorspronkelijke harmonie, waarin God deze verschillende neigingen in
een mensch bijeenvoegt, ongestoord
blijft,
zijn
deze neigingen zuiver, de
één de ander niet verdringend, in evenwicht. Maar wordt de mensch door
levensbodem van God uitgetrokken, dan gaat deze harmonie, deze juiste verhouding, dit evenwicht teloor. Er komt overhelling en ontstaat scheeve stand, en dan loopt ten slotte niet één Ujn meer recht, de zonde uit
en
zijn alle
zijn
genegenheden
komen derhalve in
bij
in
hem
onzuiver geworden. Ook die „neigingen"
de bespreking van den herboren mensch wel terdege
aanmerking, maar daar ze door het bewustzijn in ons worden opge-
en, met hoe zwakke buiging ook, niet anders dan door den wil werken kunnen, is afzonderlijke bespreking hiervan op dit punt overbodig.
nomen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's