In Jezus ontslapen - pagina 102
,
90
Het is een ivitte keursteen passend bij het „ fijne ivitte lijnwaad" van Grods heiligen, zinspelend op hun afgesneden zijn ,
van wat zonde was, of zonde heette, of naar zonde zweemde. En het graveersel op dien steen spreekt in een naam. Die naam zal 'WW naam zijn. Niet de naam, waarmee ge op aarde werdt genoemd, niet de naam waarmede ge gedoopt zijt, maar de naam die God u geven zal. naam voor eeuwig in de hemelen.
Uw
Die zegel.
Keursteen
witte
Het
halsketen.
is
niet
Het
is
een niet
met den geheimzinnigen naam is een keursteen als ornament in kroon of een steen om als kleinood te worden ,
weggeborgen. Het is de keursteen bij het kleed. Pharaö, toen hij Jozef verhief, gaf bevel, dat men hem „fijne witte kleederen " zou aandoen, en „ nam zijn zegelring van zijn hand af en gaf hem aan Jozef" (Gen. 41 en 42). Ook Mordechai ontving van Ahasverus „een opperkleed van fijn linnen", en hij „ toog zijn zegelring af van zijn vinger en gaf hem aan Mordechai." (Esther 8:2, 15). Het kleed en de keursteen zijn saam de verzinbeelde glorie voor wie den Koning tot eere verheft. De geloovige die in Christus afstierf, en als overwinnaar voor zijn koning verschijnt, wordt alzoo daardoor in de eere gezet, dat het „fijne witte kleed," hem om de schouders wordt gehangen, en de ring met den gegraveerden keursteen hem aan de hand wordt gestoken. Hier smaad en verguizing maar voor wie overwint bij zijn komen in de heerlijkheid eere. Altoos als Jozef die uit den kerker komt, en daarna verheffing krijgt en glorie. Een tegenstelling, die zelfs in dien zin doorgaat, dat de mate der verguizing op aarde, de mate der heerlijkheid daarboven bepaalt. Hoe dieper de veer hier werd neergedrukt, hoe machtiger ze hiernamaals zal opbuigen. ,
En Het
zulks
met
oorzakelijk verband.
juist de diepe versmading die hier het geloof te vaster doet wortelen, en die de vrucht van het geloof in het Paradijs daarboven te weelderiger doet opbloeien. is
Het kenmerkende nu van dien witten keursteen die er in gegraveerd staat. Niet één
maar voor een
iegelijk
naam voor
is
de
naam
geloovigen
alle
van Gods kinderen een eigen naam. Een
uezen uitdrukt. En wel een naam die dat wezen zóó diep en zóó grondig uitdrukt dat hij voor ieder ander geheimzinnig, alleen door hem of haar wiens wezen door dien naam wordt uitgedrukt, verstaan wordt.
naam
die
zijn
,
,
,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 292 Pagina's