De gemeente gratie - pagina 392
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
GEBONDEN EN TOCH
388
navolgde,
om
VRIJ.
ons te laten begaan, zoolang het goed
en plotseling
liep,
tusschenbeide te treden, als er gevaar dreigde of nood ons overviel. Dit
ook
de gemeente nog telkens nabloeiend Deïsme ondermijnt den wortel
in
van het Gereformeerde leven, en moet met wortel en tak worden geroeid. Maar evenzeer staat in de tweede plaats vast, dat wij in de
uit-
ver-
schillende voorvallen van ons leven, dit eeuwige en onveranderhjke karakter
van Gods Voorzienig werken,
uit het
eeuwige
in het tijdehjke te vertolken
hebben^ uit het groot geheel alleen dat stukske uitnemende, dat op dat
bepaalde oogenblik ons leven beheerscht, ten einde telkens den omgang
van onzen God met ons naar menschelijke vertroosting,
God
alzoo,
Een
genieten.
te
wijze, tot
onze zielssterking en
verkeer met den Voorzienigen
persoonlijk
dat volstrekt niet als vrucht van onze inbeelding
schouwen, maar werkelijk gegrond
God voor ons menschen verordend heid in stand houdt en
leidt.
Het
is
heeft, is
is
te be-
in de zedelijke levensexistentie, die
en die Hij door
niet onze verzinning,
zijn
Voorzienig-
maar Gods
wil
en ordinantie, dat wij ons anders ontwikkelen dan een plant, en ook anders dan een
dier.
God een ander ik tegen ZichGod óók op verborgen
In den mensch heeft
zelven overgesteld, en al
mag nu
niet ontkend, dat
physische wijze op dat ik inwerkt en het bepaalt, zoo staat toch evenzeer vast,
heel de Openbaring der Heilige
dat blijkens
God én
Schrift,
als
Souverein én als Vader ook met dat ik in den mensch in onderhandeling treedt,
en het bewerkt op zedelijke
voor te stellen, en aan het of straf te verbinden. is
hij
glijdt,
niet
als
de
alleen door
bewogen worden altoos zoo,
tegenover
dat
al
wijze, d. w.
z.
door het
Aldus wordt de mensch
Gods almogende kracht gedreven, maar
tegelijk
ordinantiën
tot zelfbepaling geleid,
die bewusteloos en willoos op haar
star,
zijn
zijn
of niet opvolgen van die ordinantiën loon
banen
is 's
en
voort-
menschen
een zelf loopen, hetzij naar de heerlijkheid, maar
eigen ik als tweede subject, naast en onder, of ook
God meespreekt.
Dit nu is geen schijn, maar hoogste werkelijklieid. Alzoo toch heeft het God beliefd de bestaanswijze van den mensch te verordenen, en in zijn omgang en verkeer met den mensch schikt God zich derhalve niet naar ons, maar naar die door Hem zelf bepaalde bestaanswijze van ons menschelijk ik. Kon men nu, gelijk de ethische Modernen dit een tijdlang beproefden, de sfeer van innerlijk leven geheel afscheiden van de sfeer van
ons uitwendig leven, zoo zou
dit
op de voorstelling van Gods Voorzienig-
heid van geen overwegenden invloed
Gods Voorzienig zorgen Maar de Heilige Schrift onze consciëntie, die
bij
zijn,
overmits verreweg de meesten
uitsluitend tot het uitwendig levenslot beperken. laat die scheiding niet toe, en de ontroering
maakt, komt eveneens tegen die scheiding leven hoort heerlijkheid,
van
ernstig ongeval ons vanzelf onzer zonden indachtig
bij
in
verzet.
Bij
een zondeloos
een leven in zonde hoort de vloek. „Eert
uw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's