De gemeente gratie - pagina 78
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
;
ONGETEMPERDE WERKING VAN DEN VLOEK.
74
De
heilige.
eersten
de anderen,
stiller
waren personen,
die vóór alle ding
om
vrijheid riepen
en vromer van aard, drongen van het uitwendige naar
het geestelijke, en het
zijn
de laatsten,
die, als
de meest godsdienstigen,
hun stempel op het Doopersche werk hebben afgedrukt. Deze gezinde,
of
liever
geestelijk
gezegd eenzijdig geestelijke, of overgeestelijke heden,
beleden evenzoo als
de toenmalige kerk, dat het menschelijk geslacht
was door zonde, en de aarde ontwijd door vloek, maar ze ontkenden dat de kerk macht bezat, om of door mededeeling van genade de onheilig
menschelijke personen
te
heiligen,
of
door
wijding
den vloek van het
aardsche leven weg te nemen. Naar hun overtuiging kon alleen de rechtstreeksche inwerking van Gods zijde hier redding aanbrengen. Zoo stelden ze tegenover de middellijke werking, die
men dusver
achtte dat van
door het instrument der kerk uitging, de onmiddellijke werking,
die,
God
buiten
den Heiligen Geest. Het was God die regelrecht door den Heiligen Geest de zielen inwendig aangreep, in de personen nieuw leven inschiep en nieuw licht instraalde, en niet de kerk; de kerk om, van
maar
alleen
God
uitging door
dat nieuwe leven en dat nieuwe licht vormde de oase in de
woestijn van dit menschelijke en in de wildernis van dit aardsche leven.
Gedreven door de zucht, om de tegenstelling tusschen dat
natuurlijk-
aardsche en het geestelijk-hemelsche leven vooral scherp te vatten,
de Dooperij er daarbij
toe,
om
kwam
het denkbeeld van herschepping te laten
en er het denkbeeld van nieuwe schepping voor in de plaats te
varen, stellen.
De
Christus kon niet vleesch en bloed uit ons vleesch en bloed
hebben aangenomen, maar schiep zich in Maria's moederschoot nieuw vleesch en bloed, dat wel aan het onze gelijksoortig, en alzoo aan dat onzer menschelijke natuur gelijkvormig was, maar dat toch niet uit de eens geschapen menschelijke natuur genomen was. En zoo ook werd, meenden ze, niet de in zonden ontvangen en geboren persoon in een nieuw mensch
werd hem een nieuw mensch door den Heiligen Geest ingeschapen. Op die wijs werd elk organisch verband tusschen het
herschapen,
maar
er
bestaande leven der wereld en het hemelsch genadeleven ontkend. Alle
brug
om van
het ééne in het andere over te leiden, werd afgebroken.
Buiten verband, en als twee geheel uiteenloopende sferen van menschelijk leven werd het „wereldsche leven" en het „leven der genade" tegen elkander overgesteld. Vandaar hun stelsel van de mijding. Wie toch nieuw leven en nieuw licht ontvangen had, hoorde in de oude wereld niet meer thuis, maar had deze te ontvlieden en te mijden. Vandaar hun stelsel, dat
men geen overheidsambt moest bekleeden, want onder de „heiligen" kwam geen overheid te pas. De overheid was er alleen om de pubheke zonde te bedwingen; en een kind van God dat deze taak op zich nam, verloor
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's