De gemeente gratie - pagina 62
Tweede deel. Het leerstellige gedeelte.
;
TEMPERING VAN DE ZONDE.
58
zuster was, ontstaat er gevaar voor echtbreuk. Abimelech
zijn
had Sara,
hem huwbare vrouw in zijn harem genomen, en het pad was hem geëffend, om onwillens en onwetend ontucht te plegen met de een voor
als
van Israëls stamvader. Toch
wettige vrouw
Het kwaad
En
gestuit.
is
dat het
God was
het hiertoe niet gekomen.
is
die dit
kwaad
stuitte,
wordt
ons op stellige wijze betuigd, in wat de Heere zelf aan Abimelech zeide: keh
„IA-
laten,
u ook
belet
van tegen Mij
te zondigen;
daarom heh Ik u
te roeren." Dit gold, ieder zal het toegeven,
haar aan
niet toege-
geen particu-
genade ten opzichte van Abimelech, ook al raakt deze daad het werk van Gods particuliere genade in Adam en Sara zijdelings. Hier was alzoo neiging, overheUing tot zonde, gelijk de Heere uitdrukkelijk verklaart, tegen liere
Hem;
ook was de gelegenheid bereid. De zonde stond zóó zóó te geschietoch kwam ze niet uit, werkte ze niet door, maar vond ze beletsel.
En
den.
Ze werd gestuit door God. Onze Kantteekenaren spreken het vermoeden uit, dat Abimelech plotseling onwel was gemaakt, krank werd, en alzoo van het kwaad werd afgehouden. Wat ons bericht wordt, komt hierop neer, dat God in den eigen nacht, na den dag waarop Sara in Abimelechs harem was binnengeleid, hem in den droom verschenen is, en hem het
Abraham,
verzinsel van
alsof
zij
zijn
zuster was, ontdekt heeft, en in dien
droom sprak God tot hem: „Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, want Deze woorden nu laten geen andere uitzij is met een man gehuwd." legging toe, dan dat alle zondelust Abimelech vergaan was, en dat het God was die hem opzettelijk dezen zijnen lust had ontnomen. En dat dit zoo was, wordt nader bevestigd, door tweeërlei feit: 1». door wat bericht wordt in vs. 4: „doch Abimelech was tot haar niet genaderd", en 2". door wat we reeds
uit vs.
vergaan van
6 hoorden, dat
God
dit
Hij,
de Heere, had het niet toegelaten.
zijn lust
aan Abimelech verklaarde,
zelf
Gods werk was geweest.
hoe
Hij
had het
belet.
Er is hier alzoo sprake van een rechtstreeksche inwerking van God op den persoon van Abimelech, w^aardoor een opgewekte zondige drift ingetoomd, een drijvende zonde gestuit, een voorbedacht kwaad verijdeld wordt en wel sprake van een rechtstreeksche inwerking, die tegelijk op Abimelechs
de
we
zm en
ziel
ziel zijn lust
werkte;
hem
zinlijk
dood op zichzelven terugwierp, en in
brak. Dit moest hier eenigszins broeder uiteengezet,
omdat
hier uitvoeriger dan gemeenlijk in de Heilige Schrift, de werking der
gemeene
gratie ons zien toegelicht en door
God
zelf verklaard.
Ook
is
het
omdat duidelijk blijkt dat Hiermede wordt bedoeld, dat de toeging. de gemeene gratie niet ethisch weerhouding niet het gevolg was van betere of vromere gedachten die God in Abimelech opwekte, gelijk b. v. bij Jozef, toen Potifars vrouw hem
gebeurde met Abimelech des
poogde
te
consciëntie
verleiden. is
Van
te opmerkelijker,
zulk een werking op de consciëntie, of door de
hier geen sprake. Integendeel,
Abimelech
is
zich er in het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1902
Abraham Kuyper Collection | 692 Pagina's