E voto Dordraceno - pagina 33
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. voorzeker
aaupreeken,
mij
goed gelukken, dat
zeer
HOOFDSTUK
II.
dat dit slecht
27
II.
dat zulks niet mag, en kan het
is,
die booze aandrift weersta.
ik
Maar
als ik
mij niet wreek, heb ik
daarom dan nu mijn vijand liefgehad? Neen, dan
welde er toch haat
mijn binnenste op, en het eenige wat
uit
deed,
ik
is
aan dien haat niet botvieren, maar dien bedwingen.
De
welde het tegendeel
maken
dat ze ««>< opwellen.
zijn,
Meer nog
dat er goede dingen opwellen in plaats van booze.
we zóó de zaak
als
„Neen, hier
:
te
liefde
dat wel, om, als ze opgeweld
niet, versta
maar om
ze te bedwingen, neen,
om te maken En daarom
maar van
liefde,
en wie nu heeft over die opwellingen
uit het hart op,
van het hart macht? Macht
leeft
Er was geen
wortel der zaak ontbrak dus.
is
bezien,
dan voelt
ieder, die bij zijn ziele
Heeren werk, dat kan God alleen
's
teweeg-
in mij
brengen. Mijn hart omzetten kan ik niet."
Laten we dus het werk der Wedergeboorte, er buiten, en blijven d.
we voorshands
bij
w.
z.
het, gelijk
is
hetgeen
God
Wet van ons
hetgeen de
hetgeen de niensch moet doen, dan
bij
i.
d.
men
doet
eischt,
hieraan tast en
voelt, juist deze
diepgaande eisch der liefde die voor den zondaar niet de
hardheid uit de
Wet wegneemt, maar juist hem maakt. Want wat
onoverkomelijk voor
en
waartoe
licht
nog
komt
hij
met de
hij
uiterste inspanning
in staat ware, tot dit in zich
Over
nooit.
zijn hart,
Zoo heft dus deze eisch der
om
van eigen krachten ook wel-
brengen van den wortel der
liefde
mist
zijns levens zijn,
het uit liefde te laten werken.
liefde onze ellende niet op,
geen sluier over, maar integendeel juist doordien de eischt,
Wet
en
hij
legt er
volstrekte liefde
werpt ze den zondaar in de onafwendbaarste ellende neer.
Immers
er
wordt hier in den Catechismus, niet
sappige lieden, met de liefde gespeeld,
hoog ernstigen
zin
maar
gelijk
onder onze zoet-
die eisch der Hefde wordt in
genomen.
„God liefhebben" dat noemt de beuzelende zoetsappigheid zekeren moedstoestand, waarbij ge wel zoo goed en vroom denken,
te
en
ook nog kunne of vermoge
waar de oorsprongen
de zoo onmisbare macht,
hij juist
die hardheid zoo ontzettend hij
gevoelens van genegenheid voor
noods eenige offerande
Maar hiermee
te
heeft de
zijt,
uw God
te
om
ge-
Hem
veel aan
hebben, en des-
offeren op zijn altaar.
Wet Gods
in het allerminst geen vrede.
Hier
wordt een hefde van u geëischt, die niet zekere neiging of gemoedsstem-
ming wortel
is,
maar een
zelf
„liefhebben
uw
kracht."
liefde,
die de allesbeheerschende drijfkracht in
den
uw leven zal zijn, en dientengevolge leiden zal tot een met uw gansche ziel, met geheel uw verstand, en met geheel van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's