E voto Dordraceno - pagina 181
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND. VIII. HOOFDSTUK V.
Van Adam
vóór den zondeval geldt dit
175 in bijzondere mate. Zijns
zelfs
toch was niet alleen een oorspronkelijke gerechtigheid,
maar ook een
oor-
daarmee een onmiddellijke kennisse van den Al-
spronkelijke wijsheid, en
hem de volle genieting van den Eeuwige schonk. Van Adam moet men dus geen kracht van bewijs zoeken in wat Gen. I
machtige, die sprekende,
27
staat,
:
God
w. dat
t.
zeide:
,Laat ons menschen maken naar ons beeld
en onze gelijkenis," immers niets waarborgt u dat kennis
zeggen
een
Het
droeg.
schapen
Adam, maar
tot
als iets
Adams
Neen,
wierd.
Adam
van
zeggen
dit
ons gekomen bericht toch vermeldt het niet als
tot
dat gesproken wierd eer
Adam
ge-
staan in geloofs- en leveusbetrekking tot
den wezenlijken levenden God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, moet den staat der rechtheid, en was daarin gegrond.
geleid uit
Na
af-
den val in zonde daarentegen, toen de kennisse verduisterd was, en
nevelen voor het zielsoog togen, toen ja, moest er onderrichting en inleiding de waarheid komen, en toen heeft
in
allengs het zielsoog zijner geloovigen voor zijn wonderlijk
lijke wijze
Wezen
delijk
En
nu aan toegekomen, dan voorzeker
hier
zen
het beroep op al die
waar ook
zijn plaats,
toch zoo duidelijk en klaar het ééne Goddelijk
een veelvoud van Personen aan
in
is
Ouden en Nieuwen Verbonds op
formuleering
zich
zijn volk
ons menschen
maken naar ons in
„Laat
beeld en onze gelijkenis" in het meervoud
met daarop volgende: „Eu God schiep den mensch naar gelijkenisse"
We-
openbaart, en zoo
onderscheidenlijk zijn werkingen naar zijn geloovigen laat uitgaan.
zijn
God-
ontsloten.
Schriftwoorden des
zonder
God de Heere op gansch wonder-
het enkelvoud,
blijft
zijn beeld
en
dan ongetwijfeld reeds op de
eerste bladzijde der Heilige Schrift Je stellige aanwijzing
van een Eeuwig
Wezen, dat noch Polytheïsten noch Pantheïsten noch Deïsten mogen maar
verstaan,
als
werping, als hadden
ook
Drieëenig beleden moet, zonder dat de dwaze tegen-
we
hier
met een „majesteits-meervoud"
maar een oogenblik op mag houden; daar toch
zaam
te
doen, ons
ieder thans genoeg-
weet, dat zulk een majesteits-meervoud in Mozes' dagen ganschelijk
onbekend was.
Maar
toch
hoe
hooge
waardij ook aan deze uitdrukkingen
kennen,
toch
ligt
hierin
het
zwaartepunt
niet,
zij
toe te
en veel sterker gewicht
moet dan ook ten deze vallen op de Theophaniën, op de Messiasverwachting en op de zending van den Heiligen Geest.
Op
de Theophaniën,
delaar
aan
Jozua,
bij
meer.
d.
i.
op die wondere verschijningen van den Mid-
Abraham en Hagar, aan Bochim,
Altegader
aan
Izaak, aan Jakob, aan Mozes, aan
Gideon, aan Simsons moeder, en waar
verschijningen,
waardoor
de
starheid van het
al
niet
Deïsme
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's