E voto Dordraceno - pagina 397
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
XLV. HOOFDSTUK
ZOND.
meest gewoonte, dat de voorganger gebed
399
XI.
en
vrijelijk bidt,
al is
het formulier-
ons veel te veel in onbruik gekomen, toch dwaalt wie waant,
bij
dat deze stroom van gebeden altoos uit de mystiek van het gemoed opwelt. Dat
komt wel regel
en
Maar
het wel zoo.
is
uitzondering.
dit blijft
En
de
dat de voorganger weet, of van te voren indenkt, wat de dingen
is
waarvoor
zijn,
Soms
voor.
heeft te bidden, en zich door de practijk zekere formules
hij
vaste uitdrukkingen voor het onder woorden brengen van deze
beden
Al moge er dan zekere warmte van ons gemoed
bijko-
heeft aangewend.
men, in den regel
vorm
ze niet naar vasten
omdat
ze niet
gebeden, noch echte /brmM^wrgebeden omdat
zijn zulke
uit het
onbedwongen
geheugen komen, noch ook vrije gebeden^
de mystiek van het hart oprijzen, maar
uit
een tusschen soort, dat wat we noemden: en
beden,
die
vrijelijk
gewijzigde formulierge-
tusschen de twee polen van
zoodanig
als
gebed en
vrij
formuliergebed in staan.
Zoo beschouwd gaat het dus niet aan over het voor of tegen van formuliergebed
of
volstreklen
in
formuliergebed in algemeenen
zin,
te
spreken. Zoowel wie tegen het
als wie
tegen het vrije gebed als eigen
zin
wat
levensuiting, toornt, toont te oordeelen over
omdat het gebed zoo hoog
Juist
dan
voor,
vorm. Het
in gebrekkigen
stamelen,
omdat het
gelukken
kan,
maar
staat,
en in
van het zielsleven hier beneden
ste uiting
eenigszins
veel erger
is,
is
hij
zijn
niet verstaat.
volkomenheid de hoog-
komt het
is,
bijna niet anders
meestal niet slechts een armelijk
arme zondaren en
ons,
Eeuwige Wezen
het
in
nietige creaturen, toch nooit
woorden
te
aanbidden, die ook
majesteit en hoogheid evenaren zouden;
zijn
ons bidden
vrij
maar wat
meestal, tengevolge van onze ongeestelijke
blijft
stemming en ingezonkenheid zoo verre en zeer verre beneden de waardigheid die het hebben hon. Bijna elk kind van
hem
zeggen: ^Toen
God
heeft herinneringen uit
toen was het waarlijk, heer-
zijn
gebedsleven, die
lijk,
zalig,
God
geheel andere herinneringen en dagelijksche ervaringen, die dat
wijten,
ja,
zoet en bijna goddelijk bidden;"
gemeenlijk
bidden
zijn
maar ook
heeft elk kind van
hem
ver-
op verre na niet tot die geesielijke
hoogte opklimt. Dit kwaad nu kleeft zoowel het eigen als het formulier-
gebed aan. Het formuliergebed, omdat het verleidt waarin Jezus lijk
de bij
ziel
niet
inging,
en
dus
het
gebed
de Farizeƫn noemde, een battologie,
d.
i.
om
klanken
te
verlagen
een
omdat ge dan bidden
wilt,
ven geweld aan moet doen, voort
te
zinlijken
brengen. aard,
Juist
om
terwijl het hart niets
tot
wat
ijdel verhaal, eigen-
een ijdellijk uithalen van woorden; maar ook bederft
bed^
te bidden,
hetuwvry^e-
opgeeft, en ge uzel-
toch eenige rede en eenige bede ordelijk
echter omdat dit kwaad, opkomende uit onzen
beide soort gebeden aantast, heeft
niemand
recht,
om
te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's