E voto Dordraceno - pagina 25
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Eerste deel.
ZOND.
Wet Gods. Immers
terstond wijst op de
den
die
HOOFDSTUK
II.
Wet Gods wordt
deze
nu
hier
juist
de Wet,
zeggen,
we nu reeds
indien
overstaan.
gehandeld in hare dealen, maar
tot
XLIVste
bij
ze in
afdeeling besproken, en
om tweemaal
zou dus verwarring stichten en er toe leiden
het
is
nu
ellendig aanzijn
niet
XXXIUste
hare bijzonderheden van de
hetzelfde
dezen Zondag het stuk der
Wet
in
geheel gingen afhandelen.
zijn
Neen,
Wet komt
de
manier
andere
op
ons wandelen leunen, hier
bij
is
deze laatste beteekenis van de
met u een oogenblik hadt
uzelven
Wet
XXXIII
een
omgekeerd een
ze juist
staf, staf,
waarop die ons
den weg belet.
slaat en neerwerpt en ons het voortgaan op
Om
Zondag XXXIII en op
in
andere manier hier ter sprake. Is ze in Zondag
we
Gods, dat
Gods toegebrachte kinderen wordt
als geheel. Als regel des levens voor
te
Wet
levensregel in het betere vaderland aanduidt, en waartegen wij
met den onheiligen levensregel van ons
Van
die
19
I.
wel in te zien, doet ge best
in te denken in een toestand, dat
gij
feitelijk
over
aan geen levend wezen verantwoording van
te beschikken,
uw
leven
gril
en wil leven kondt. Immers in zulk een toestand zou er van ellende
u geen sprake
voor
uw
waart, en dus ongedeerd en ongehinderd naar eigen
schuldig
het
slijk
zoo
ook
geen
zelfs
zou
een
mensch,
wet
bestond,
die
Het
maar zoekt het
wroet, weet van geen ellendigheid,
hoogere
weg
staan.
Al
de wetenschap, dat er een hooger en
denkbaar ware, zou u geheel ontbreken.
geluk
reiner
Niets zou u stuiten of in den
zijn.
u toekomen. En
lust zou
van geen hoogere wet
zwijn, dat in slijk op.
afwist,
En
voor wien
en die zich zelf dus ten wet was, evenmin
van eenige ellende ook maar het minste bespeuren.
Want
zegt ge, dat zulk een toch krank zou
zou kunnen
lijden,
laat bestaan
Maar
;
zoo dan
al niet voor zijne ziel
hij,
de
zijn ziel, zelf
natuur
is
er
al
hem
lichaam
;
weer ellende.
we daarom, dat ge zoudt wegdenken. Geen
mensch
zelf,
en
zelf
maar ook dan
om zelf de wet voor om allen weerstand der
machtig en bekwaam,
zijn
lichaam
te stellen,
den gang te bepalen van
eerst,
ware
er
zijn levenslot.
geen wet Gods voor hem, en dan
ware er ook geen ellende denkbaar, in wat toestand
En
zijn
geen wet Gods voor het lichaam, geen wet Gods
de wet voor
te breken,
Dan,
ziel,
dan
dan toch voor
natuur, geen wetsbepaling des Heeren zelfs voor zijn levenslot,
de
maar
laat, natuurlijk
juist dat alles wilden
wet Gods voor de
ook
toch verliezen
toch onbevredigde neigingen zou kunnen hebben, dan
en zoolang ge dat zoo
voor
zijn,
ten volle waar, zoolang ge altoos nog eenige wet Gods voor
dit
is
kunnen
hij
zich ook bevond.
werpt ge nogmaals tegen, dat de in dierlijkheid verzonken mensch, bespeurde
hij er zelf niets
van, dan toch feitelijk en in de werkelijkheid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's