E voto Dordraceno - pagina 573
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
LIL HOOFDSTUK IV.
ZOND.
ganger in het gebed het vraagstuk
wikkeld
Doch
slot wegliet.
worde
ook
algemeene
wat zin en geest
in
dit inge-
opgelost, zooveel sta voor een ieder vast,
dat deze „lofverheffing" niet een bijzonder iets
een
575
bij
het „Onze Vader,"
van onze gebeden
lofverheffing ter besluiting
is,
maar
die dus
ook aan het slot van andere gebeden kan gebezigd worden, en alzoo ter
kan doen met de
afwisseling dienst
trinitarische, d.i. op de heilige Drie-
ëenheid doelende lofverheffing, die in onze liturgische gebeden meer gewoon is.
Komen we
alsnu tot die Lofverheffing zelve, dan sta op den voorgrond,
dat zulk een uitgang van onze gebeden wel niet noodzakelijk,
raadzaam en
in geestelijken zin
aanbevelenswaardig
maar toch
Alle gebed
is.
een
is
verheffing der ziel tot onzen God, een zoeken van zijn gemeenschap. Zoo-
lang nu onze gebeden zich bepalen tot de bede voor de eere zijns Naams, voor de komst van zijn Koninkrijk, en voor het geschieden van zijn wil,
God
dringt en drijft het gebed ons naar
onzen
eigen
biddende de
in
dien
schuld
we
in
af
Maar zoodra we inkeeren
tot
dien voor Gods genadetroon brengen, daalt onze
en
nood,
ziel
toe.
ons aardsche leven, in onze lichamelijke nooddruft,
van God vervreemdt en
die ons
in
den
strijd
met Satan,
hebben. Dit alles nu breekt eer de gemeenschap met
te strijden
het Eeuwige Wezen, dan dat het die sterken en bevestigen zou. Het leidt af,
en niet op. Vandaar dat een gebed hetwelk eindigde met: „Verlos ons
van den Booze," op zeker min natuurlijke wijze besloten zou worden met
naam van den
den
begonnen Satan
een
gevoelt
na zich
Satan, na
te zijn. Oordeele
men
geestelijk
geschikt
iegelijk bij
zichzelven, of de
gebed zou
besluit voor ons
naam van
zijn.
En ook
terstond, dat de biddende ziel hierin niet rusten kan. Neen,
tot in
de diepte van de worsteling met Satan verdiept
heeft het hart dat
God
zoekt, eer het zijn
God
zich weer van Satan tot zijn heerlijkheid
met de aanroeping van Gods Vadernaam
nu een
aan
te
nu
zien, en,
Amen
te verheffen,
tot in der
te
hebben,
uitspreekt, behoefte,
zijn
om
almachtigheid en zijn
eeuwen eeuwigheid zich
ver-
breedende, zich neder te vlijen in de verwachting van dat eeuwig koninkrijk,
waarin
God
zijn zal alles
en in
allen.
Dan
is
de
ziel
weer boven eigen
nood en zielsangst en schuldbesef en vreeze van Satan verheven, en spreekt
Amen
haar gebed, ziel
in
dat
uit in een
stemming van
met God begon,
die bidt gevoelt zich
lof
en van dank.
Aldus keert het
in God, als in zijn uitgangspunt, weder.
opgenomen
in het eeuwig bestel haars
de toekomst van zijn Koninkrijk, en zoo eerst volgt op het
De
Gods en
Amen
dat
besef van wondere mogendheid en heilige geestdrift, waarin de geestelijke
kracht van elk gebed schuilt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's