E voto Dordraceno - pagina 289
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Vierde deel.
ZOND. XLIV&. HOOFDSTUK
een milde offervaardigheid, en een gloed van heilige
Heeren,
des
waardoor
soms
er
moet
hoogmoed op
geestelijken
in
schoone
dit
om
de
schoone
vrucht
feit,
dat
er
verschil
bestaat,
den
kring
der
En dan
is
weten,
zichzelven
natuurlijk
wormsteek
den
door
daarom
komt het
apostelen
van
het
ze
zich zoo voor te doen, en er zich vaak
verheffen.
en
weg,
dat
en ook
toe,
zeer gebroken
te
al
liefde,
hemelsch
iets
geven we
is,
sommigen maar
bij
merkt,
er op toeleggen
het
ze
mate zeldzaam
die
dit in
men soms
doordien
wordt,
dat
dat
erkend,
hun gelaat en hun trekken
over
zelfs
Dat
uitgespreid.
ligt
291
II.
niet
weg
te
Jezus
dat
uit,
de bekoring
is
bedorven.
Maar het
cijferen.
Reeds
in
volstrekt niet alle
discipelen op één lijn stelt. In de apostolische brieven bespeurt ge gedurig,
hoe de apostelen wel terdege onderscheid maken tusschen kinderen Gods en die verder
achterlijk
die
hoe
er
zijn.
Heel de historie der kerk getuigt ons,
eeuwen door zulk een onderscheid
alle
viel
waar
onze eigen ervaring bevestigt het ons telkens opnieuw.
nu
blijven
Ja
wel
geen een
wat de Catechismus zoo klaar en
bij
waarlijk
en
geloof
we
maar
stilstand,
zich ontwikkelende geestelijke leven.
Er
er is vooruitgang.
Er
tot heerlijkheid.
een
is
steeds
meer
de
En aan
heiligen.
is
is
in
Er heerscht is
worden
in
goede
een zijn van heiliger onder
wordt het door genade gegeven,
enkelen
Er
Christus.
een gaan van heerlijkheid
overvloedig
werken, die aangenaam zijn voor God. Er
sierlijke
wasdom
is
en vordering in genade. Er
toeneming
op dien grond
duidelijk uitspreekt.
van ontwikkeling ook in het
er graden of trappen
zijn
daaruit
het
En
En
nemen.
te
zeer
als
leden van het Lichaam van Christus, zijn allerheilig sten in deze
of gene plaatselijke kerk te zijn.
Door deze werk
centrale
stellige
van
werken
zijn
goede
van
God weet en
Christus
alles
belijdt juist
voor
geloof
zij,
kind, dat het
hadde.
echt is
Daarover
nog
hem
is
met
iets,
loopt
hij
zal zich ooit
zou
door
hij
alles volbracht
God bewerkt
dus de quaestie
zal een
nog
kind van
uit zichzelven put,
niet.
Wie
en in
Christus heeft niet
ligt.
volbracht.
En
geloof, belijdt
alsof hij zelf alles betaald, ja heel de
werken dat
en gereed
maar ook de wet voor hem
en waarachtig, uit
den dood. En evenmin goede
gedaan aan het
iets ontbreekt, als
omgekeerd, dat het
verworven
zich niet rechtvaardig voor God, staat
zijn
in niets te kort
ontbrekende nog moeten bijverdienen. Een kind
dat
alleen zijn schuld betaald, er
wordt
er aan zijn zaligheid
dat
inbeelden,
belijdenis
den Christus. Geen kind van God toch
wet
mits
Gods
zelf volbracht
dat niet belijdt, weet
in werkverbond, en werkt voor
God
zich ooit inbeelden, dat hij
en nu met die goede werken als
op eigen akker teelde, naar
zijn
God kon
toegaan,
om
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's