E voto Dordraceno - pagina 297
toelichting op den Heidelbergschen catechismus. Tweede deel.
ZOND. XXIII. HOOFDSTUK
hem
Satan prikkelde
zijn
val,
niet
meer gelooven. Maar
dat het geloof
God
alleen
niet
maar
Adam. Het
kentering
in
oogenblik
sloeg
blijft,
gij
aan
ivel
Adam
Hij wist zeer wel,
God
zijn." liet d.
om
veel meer,
gelooven. ,TJwe oogen
te
God
zult als
geloof
bij.
Adam nog
hij
hem, Satan,
over in positief owgeloof,
hij
gezegd had, moest
zoolang het ongeloof er niet voor
en daarom prikkelde
is,
niet,
geopend worden, en
zullen
Wat God
hier liet Satan het niet
den onzondige
bij
plaats getreden
in
daartoe.
297
I.
En
hij i.
kwam
hiermee
los,
de
en op hetzelfde
in geloof
aan zichzelf
en Satan.
Dit toont ons duidelijk, wat oorspronkelijk de grondtrek van het eerste
Adam
geloof in
was. Niet, dit spreekt vanzelf, het geloof in den Middelaar,
evenmin het geloof
en
geloof
nam
het
kon het eerst aannemen, toen de mensch zondaar
en
aan
eerst
vergeving der zonde. Dezen vorm
in de
geworden was, en alsnu de vraag ontstond, hoe een zondaar weer gered kon
worden.
niet
met
de oorspronkelijke schepping hebben we
In
maar nog
zondaar,
den
In dien mensch schiep God twee dingen
gemeen was,
schepselen
Maar ook
bestaan.
noch dat
de
planeet,
noch
immers was
het
rekenen.
Eén ding dat hem met
in.
alle
dat noch de star, noch het firmament,
iets,
dier bezit,
aan
alleen
waarom de mensch ook
Adam nog te
w. zijn aanzijn, zijn wezen, zijn creatuurlijk
ten tweede
bestond en de kennisse dat
hij
Dit
t.
bij
met den mensch
alleen
hij
w. een bewustzijn.
t.
Een weten
bestond als schepsel van
God.
zijn
den mensch en den engel gemeen; reden
alleen door een gevallen engel ten val
kon worden
gebracht. Welnu, dit bewustzijn, deze kennisse, deze heerlijke wetenschap,
dat ik als mensch niet voor mij zelven,
ook
alleen
geloof,
voor
God
mijn
besta,
dat
maar is
als
God
schepsel van mijn
de diepste grondtrek van het
het als inklevend vermogen van onze menschelijke natuur,
gelijk
den mensch oorspronkelijk wierd ingeschapen.
De wetenschap en leeft
en bestaat in de volstrektste afhankelijkheid van een God die
Fontein van
de
bewust
alle
bhjft
alle
goed en
goed en alle
God en
dien
uit
ziel,
het besef, de kennisse, dat de mensch als mensch
eeuwiglijk
alle
kracht en
kracht en
dien
God
alle
alle leven,
leven
met de
is,
en alsnu
hem zelf-
diepste teugen der
alleen in te drinken, dat
was en
is
en
het diepe wezen van ons menschelijk geloof, gelijk het,
nog geheel afgezien van de zoude en de
herstelling door de genade, tot
onze menschelijke natuur behoort.
Maar in
o?!
band
juist
daarom moet de verbreking van
dit geloof
dan ook terstond
geloof omslaan. Immers, zoodra ge, als mensch, dien creatuurlijken
aan
uw God
ontkent of niet meer
eert,
en dus niet meer uit
uw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1904
Abraham Kuyper Collection | 667 Pagina's